B.D.-Nr. 2405b
De mensen kunnen wel schools een kennis ontvangen, maar steeds zal dit een gedeeltelijke kennis zijn, die deze of gene gebieden betreffen, echter volledig gescheiden zijn van elkaar. Verder zal de kennis meestal aardse dingen aanstippen, en waar het op geestelijke zaken betrekking heeft, worden ook alleen maar aannames onderwezen, die niet bewezen kunnen worden. En deze schoolse kennis vormt de gehele wijsheid, want daarboven uit wagen de mensen zich niet. Dat wil zeggen dat ze niet verstandsmatig kunnen doorgronden, wat voor de wereldwijsheid verborgen is. En dat hun de kennis ook geestelijk gegeven kan worden, geloven ze niet. En zo nemen ze genoegen met dat, wat hen van menselijke zijde aangeboden wordt.
Maar geestelijke kennis is niet slechts ten dele waar, maar het omvat alle gebieden en geeft de mens opheldering over het verband tussen alle dingen. Een zo omvangrijk werk echter kan alleen maar door wezens aangeboden worden, die zich de rijkste kennis eigen gemaakt hebben. Naar wie die onophoudelijk toevloeit en die het dus door kunnen geven. En deze stroom, die zich uitgiet over het naar waarheid verlangend geestelijke in het hiernamaals en op aarde, is de geest van God, die zich verbindt met dit geestelijke, dat naar God streeft.
Zodra nu een mens op aarde zich voor de stroom van de goddelijke geest opent, kan dus de diepste kennis aan hem gegeven worden, die de aardse kennis ver overtreft, maar die zuivere waarheid is en moet zijn, omdat de geest uit God zich nooit kan vergissen. En het is de taak van zo’n mens om deze kennis als goddelijke waarheid te verspreiden, daarmee de onwaarheid te verdringen en de geestelijke duisternis onder de mensen uit te bannen. Want kennis is licht en licht is leven en gelukzaligheid. Maar als de schepselen ooit zalig moeten worden, dan moeten ze onvermijdelijk uit de geestelijk nacht bevrijd worden, wat de opdracht van die mens is, die er door God toe geroepen is om lichtdrager op aarde te zijn.
Amen