0489 Dier en mens - Werkzaamheid - Kracht

29 juni 1938: Boek 10

De gesteldheid van het innerlijke leven van de mens is niet steeds hetzelfde. Vaak moet de mens worstelen en strijden om zich een eenmaal aangenomen opvatting volledig eigen te kunnen maken. Er zullen altijd momenten zijn dat twijfels zich ongehinderd van het menselijke hart meester maken. Deze twijfels zullen proberen om te vernietigen wat tot dan toe verworven is. En hieruit kan een volledige afval voortkomen, wanneer de mens zich onverschillig aan deze twijfels overgeeft.

Zulke zielsbeproevingen kunnen echter iemand die ernstig naar de waarheid streeft, niet deren. Er vormt zich daardoor alleen maar een geloof met steeds meer weerstandsvermogen. In plaats van de kwellende twijfel zal een vaste overtuiging zich spoedig van de mens meester maken. En dit is opnieuw een stap verder naar boven.

Op zulke momenten zal de wereld met haar vreugden steeds tevoorschijn willen komen en de mens aan zich onderdanig willen maken. Dan is steeds grote voorzichtigheid geboden. Want werkt alles samen tegen het mensenkind, dan zal het hem veel zwaarder vallen zulke verzoekingen te weerstaan. Wend jullie dan echter vol vertrouwen tot Hem die alleen in staat is jullie te helpen, en jullie zorgen zullen van jullie afgenomen worden.

Als je in staat bent onze gedachten te volgen, zal je nu een bericht van bijzondere waarde toekomen: Kijk naar de wereld van de dieren en bekijk hun karakteristieke eigenschappen. Heeft niet elk dier bepaalde karakteristieke eigenschappen die zich bij alle andere van zijn soort herhalen? Men beschouwt het paard als een edel huisdier dat de mens dient en qua kracht en sterkte de meerdere van de mens is. Aangezien het aan zoveel eisen kan voldoen en het voor de mens op allerlei wijze nuttig is, zou geen enkel mens erop komen zo’n dier te houden zonder het één of andere werkzaamheid te laten doen. Daarentegen dienen bijvoorbeeld vissen van allerlei soort de mensen slechts tot voeding, maar een ander gebruik zou niet denkbaar zijn.

Nu komt bij de mens de vraag op: kan een hoger ontwikkeld dierlijk wezen het streven van de mens naar geestelijk goed voelen en zal dit streven op zo’n dier zonder invloed blijven? Stroomt er vanuit een mens die geestelijk werkzaam is, een onzichtbare kracht uit naar de dierlijke wezens die ook reeds op de laatst mogelijke trede voor de belichaming als mens staan? Komt die kracht de dieren dan ten goede in hun ontwikkelingsstadium? En hoe uit zich zulke kracht dan bij deze wezens?

Daarop dient je het volgende antwoord toe te komen: de Heer bedeelt alle wezens met een kracht die voor hen nuttig is, die de eigenlijke bestemming van de wezens moet vergemakkelijken zodat ze in zo kort mogelijke tijd waardig zijn voor een nieuwe vorm. Alleen de mens moet voor zichzelf om deze kracht vragen. Daar alle wezens van het heelal nu echter hun kracht uit God moeten putten, zullen dieren en mensen in hun zuivere zielenwerkzaamheid niet zo heel ver uit elkaar staan.

Met bepaalde tussenpozen zal de menselijke ziel zich zelfs met het dierlijke wezen verbinden omwille van een volledige omvorming. De krachten van beide wezens zullen zich dan met elkaar verenigen en zowel de mens als het dier zal daar het voordeel uit halen, dat de goddelijke kracht buitengewoon sterk werkt en zodoende de geestelijke voltooiing van beide wezens in korte tijd bereikt kan worden. Dan kan het dier zijn omhulsel verlaten en zich in een nieuwe vorm belichamen, terwijl ook de mens op een hogere trede gekomen is. En dit is te danken aan de samenwerking van deze krachten.

Maar de samenwerking van de mensen- en dierenziel is van dien aard dat het zeer zelden door de mensen beseft wordt en er een nauwkeurige verklaring nodig is, die je nog zal toekomen door de Liefde van de Heer.

Amen

Vertaald door: Gerard F. Kotte

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.

Downloads

Download-aanbod voor boek _book
 ePub  
 Kindle  
  Meer downloads

Deze openbaring

 als MP3 downloaden  
Afdrukvoorbeeld
 Kladschriften

Translations