Originally the beingness was full of light, it had emerged from God, it was perfect, i.e. powerful and mighty, because it was similar to God.... It was in the same will with God, i.e. its free will was turned towards God.... It was equal to God.... But because it was equal to God it also had to be able to create something equal, thus something being-like emerged from it again, beings came into being by virtue of the will of the being that had emerged completely from God, but by utilizing the strength flowing to this being-like from God. And the fact that the being drew the strength from God was the cause of the rebellion against God, for the being considered itself so powerful that it believed it could create the same out of itself.... that it therefore wanted to eliminate God as a source of strength.... This was arrogance on the one hand and an abuse of the will on the other, and both were directed against God. The fact that the beingness now opposed God could only result in a weakening, but never in the withdrawal of the power it received. The being now considered itself capable of being able to create out of its own strength.... And God let it create.... What was originally from Him could continue to use His power at its own discretion.... the power was not withdrawn from it, although the will of the creator turned against God. But now beings came into being with a will already turned against God, beings were created which signified a counter-current to (against) God and which therefore had to be regarded as children of satan.... i.e. as beings created by a will opposed to God using the power from God. Thus the once perfect beingness (being) fell away from God and was subject to a being which was once the bearer of light and which had now changed its light into darkness. For as soon as it separated itself from God, as soon as it opposed God, it was completely devoid of light. It therefore plunged from the highest height into the deepest depth, it turned from a God-like being into a being completely alien to God, which distanced itself further and further from God and was now active as a counter-power.... Countless beings emerged from this being, all of which were God-opposing....
(22.9.1942) And thus the strength from God was misused, it was utilized in order to create something which was opposed to God, and this created being increased because the once perfect being's power was unlimited, thus it was able to create without diminishing the strength it received. But the created beings were now products of the one who let his will become active, although the power from God made the emergence of these products possible in the first place. Consequently, the same will was in the created beings as the creator carried within him.... the will of the being was likewise God-opposing, because the creator had placed it into the created beings, for the beings he created corresponded entirely to his will and his image; thus they had become what they were, so to speak, involuntarily.... So they had to be given freedom of will by God before they could be called to account for their anti-God attitude. And they were now given the right of self-determination by virtue of which they could decide completely freely in favour of their creator, from Whose will, or in favour of the one from Whose strength they had emerged. This free decision only turned the being into a perfect being as soon as it turned to God.... Yet the creator's will was already too firmly rooted in it, and thus the being decided in favour of the latter of its own free will, it thus made itself complicit in the rebellion against God, and now it also belonged to the fallen angels who now also had to atone for the open rebellion against God.... And so the will, which God had given to the beingness for free decision, was bound, so that now the beingness turns to God in a certain state of compulsion, to then receive free will again in a higher level, to consciously decide for or against God....
(23.9.1942) In the last embodiment on earth this free decision for or against God is demanded of the being, because in this last embodiment as man it is equipped with all gifts, which make a free decision possible. It is now presented with knowledge about God as well as His adversary so that it can turn to anyone completely unconstrained, depending on its will.... God does not demand anything impossible from people, He only demands their will, which should turn to Him completely. But He has to demand this will because the beingness was once created out of a will opposed to God and because the power from God was used for it. If the will is now turned towards God then the being is a divine creature and can dwell eternally close to God.... But as long as the will still resists God, the being is the product of the opponent of God, for the will determines the degree of divinity or distance from God.... The will is the actual beingness, and therefore the will must strive towards God in order to let the beingness become the being of God. Thus the will in earthly life as a human being has to turn to God, the human being has to recognize the source of the strength which created him in God and strive towards this original source of strength, then the being will have freely chosen God and brought itself into a state which aligns itself with the essence of the eternal deity and thus also brings about an approach to God which is unspeakably blissful for the being.... It has consciously decided in favour of God, and this free decision makes it His creature, His child, which is invested with all the rights of a child.... The spiritual being, which once fell away from God, has found its way back to the father, from Whom it can no longer separate itself and thus remains united with Him for all eternity....
Amen
TranslatorIn het allereerste begin was het wezenlijke vol licht. Het was uit God voortgekomen. Het was volmaakt, dat wil zeggen dat het vol kracht en macht was, omdat het aan gelijk God was. Het had dezelfde wil als God, dus zijn vrije wil was op God gericht. Het was gelijk aan God. Maar omdat het aan God gelijk was, moest het ook in staat zijn om iets soortgelijks te scheppen. Zodoende kwam uit hem weer wezenlijks voort. Er ontstonden wezens op grond van de wil van het volmaakt uit God voortgekomen wezen, echter met gebruikmaking van de naar dit wezenlijke toestromende kracht van God.
En dat het wezen de kracht van God ontvangt, was de reden van het in opstand komen tegen God, want het wezen waande zich zo machtig, dat het geloofde vanuit zichzelf hetzelfde te kunnen scheppen. Dat het dus God als de krachtbron uit wilde schakelen. En dit was aan de ene kant arrogantie en anderzijds een misbruik van de wil, en beiden waren tegen God gericht. Dat het wezenlijke zich nu tegenover God plaatste, kon alleen maar een verzwakking tot gevolg hebben, maar nooit een ontnemen van de hem toegestuurde kracht. Het wezen meende nu zelf in staat te zijn om uit eigen kracht te scheppen. En God liet het scheppen.
Wat oorspronkelijk uit Hem voortgekomen was, kon verder Zijn kracht naar eigen goeddunken gebruiken. De kracht werd hem niet ontnomen, ofschoon de wil van deze schepper zich tegen God keerde. Maar nu ontstond wezenlijks met een al van God afgekeerde wil. Er werden wezens geschapen, die een tegen God gekeerde stroom betekende en die daarom voor kinderen van Satan gehouden moeten worden. Dus als wezens, die de tegen God gekeerde wil geschapen heeft met gebruikmaking van de kracht uit God.
Het eens volmaakte wezenlijke werd van God afvallig en was onderworpen aan een wezen, dat eens lichtdrager was en dat zijn licht nu in duisternis veranderd had. Want zodra het zich van God afscheidde, zodra het zich tegenover God plaatste, was het volledig zonder licht. Het stortte vanuit de hoogste hoogte in de diepste diepte. Het werd van een aan God gelijk wezen een geheel van God vervreemd wezen, dat zich steeds verder van God verwijderde en nu als tegengestelde macht actief was.
Uit dit wezen kwamen talloze wezens voort, die allen van een van God afgekeerde gezindheid waren. En zodoende werd de kracht uit God misbruikt. Ze werd gebruikt om iets te scheppen, dat een tegen God gerichte instelling had en dit geschapene vermeerderde zich, omdat de kracht van het ooit volmaakte wezen onbegrensd was. Zodoende kon het scheppen, zonder dat de hem toegestuurde kracht beknot werd.
Maar de geschapen wezens waren nu producten van degene, die zijn wil actief liet worden, ofschoon de kracht uit God eerst het ontstaan van deze producten mogelijk maakte. Bijgevolg zat ook dezelfde wil in het geschapene, zoals de verwekker die in zich droeg. De wil van het wezenlijke was eveneens vijandig aan God, omdat de verwekker deze wil in de verwekte wezens gelegd had, want de wezens, die hij schiep, kwamen geheel met zijn wil en evenbeeld overeen. Ze waren dus in zekere zin onvrijwillig dat geworden, wat ze waren.
Zodoende moest hun van God uit de vrijheid van de wil gegeven worden, voordat ze voor hun God vijandige instelling ter verantwoording geroepen konden worden. En ze behielden nu het zelfbeschikkingsrecht, op grond waarvan zij volledig vrij konden kiezen voor hun verwekker, uit wiens wil, of voor Degene, uit Wiens kracht ze voortgekomen waren. Deze vrije keuze maakte het wezenlijke pas tot volmaakt wezen, zodra het zich naar God keerde.
Maar de wil van de schepper was al te zeer in dit wezenlijke geworteld en dus koos het wezenlijke uit vrije beweging voor deze schepper. Het maakte zich dus medeschuldig aan de opstand tegen God en nu behoorde het tot de gevallen engelen, die nu ook moesten boeten voor de openlijke opstand tegen God. En zo werd de wil, die God het wezenlijke gegeven had voor de vrije keuze, gebonden, zodat het wezenlijke nu in een bepaalde toestand van moeten zich naar God toekeert om dan op een hogere trede nogmaals de vrije wil te ontvangen, om bewust voor of tegen God te kiezen.
In de laatste belichaming op aarde wordt van het wezen de vrije keus voor of tegen God geëist, omdat het in deze laatste belichaming als mens uitgerust is met alle gaven, die een vrije keuze mogelijk maken. Er wordt hem nu een kennis in overweging gegeven over zowel God alsook Diens tegenstander, zodat het zich volledig ongedwongen tot een ieder kan wenden, al naargelang zijn wil. God eist niets onmogelijks van de mens. Hij eist alleen maar diens wil, die zich geheel en al op Hem moet richten.
Want Hij moet diens wil eisen, omdat het wezenlijke geschapen werd door een zich tegen God verzettende wil en omdat de kracht uit God daarvoor gebruikt werd. Als nu de wil naar God toegekeerd is, dan is het wezen een goddelijk schepsel en kan het voor eeuwig in de nabijheid van God verblijven. Maar zolang de wil God nog weerstaat, is het wezenlijke het product van de tegenstander van God, want de wil is bepalend voor de graad van de goddelijkheid of de afstand tot God. De wil is het eigenlijk wezenlijke en daarom moet de wil naar God streven om het wezenlijke tot een wezen van God te laten worden.
Zodoende moet de wil zich in het aardse leven als mens op God richten. De mens moet de oorsprong van de kracht, die hem geschapen heeft, in God herkennen en naar deze oerbron van de kracht streven. Dan heeft het wezenlijke vrij voor God gekozen en zichzelf in een toestand gebracht, die het wezen zich aan de eeuwige Godheid aan laat passen en daarmee ook een nadering tot God bewerkstelligt, die voor het wezen onnoemelijk gelukkig makend is. Het heeft bewust voor God gekozen en deze vrije keuze maakt het tot Zijn schepsel, tot Zijn kind, dat alle rechten van een kind toegekend wordt. Het eens van God afgevallen geestelijke heeft de weg naar de Vader teruggevonden. Naar Degene waarvan het nu niet meer scheiden kan en dus tot in alle eeuwigheid met Hem verenigd blijft.
Amen
Translator