7228 De weg tot onder het kruis

12 december 1958: Boek 76

U mensen zult uw blik op het kruis moeten richten om de weg op aarde te gaan, beantwoordend aan het doel ervan, om altijd juist geleid te worden door Hem die aan het kruis Zijn Bloed heeft vergoten voor uw zonden. Jezus Christus Zelf wenkt u vanaf het kruis, want alleen onder Zijn kruis kan de zondelast worden gedragen, wil Hij ze ook voor u teniet hebben gedaan door Zijn dood. Alleen onder Zijn kruis zult u van uw zondelast vrij kunnen worden, wat zoveel wil zeggen als dat u het verlossingswerk zult moeten erkennen en dus ook de goddelijke Verlosser Zelf, in wie Gods Liefde het werk van erbarmen heeft volbracht, door te sterven voor de mensen en de oerschuld teniet te doen.

Van deze zonde kan geen mens vrij worden die niets van Jezus Christus wil weten, die de menswording van God in Jezus niet accepteert, die dus Jezus Christus niet erkent als Gods Zoon en Verlosser van de wereld. De mens moet weten en geloven dat een mens zich uit overgrote Liefde aan het kruis liet slaan voor zijn medemensen en dat in deze mens Jezus de eeuwige Liefde Zelf Zich had belichaamd, dat dus de Liefde voor de mensen stierf en deze Liefde was God Zelf. De eeuwige Liefde - God Zelf - daalde af naar de aarde, ging wonen in de mens Jezus, in wie zich een Lichtgeest bevond. En nu legde de mens Jezus een onuitsprekelijk bittere lijdensweg af, die eindigde met Zijn smartelijke dood aan het kruis.

Zolang voor u mensen de menswording van God niet begrijpelijk is, zult u ook niet levend kunnen geloven in Jezus Christus en Zijn verlossingswerk. Maar er moet ook liefde in uzelf zijn om een dergelijk weten te kunnen geloven, dat overeenstemt met de waarheid. En deze liefde te leven is inhoud geweest van de leer die de mens Jezus op aarde predikte. Zijn overgrote Liefde wilde voor u mensen lijden en sterven, om u te verlossen. Maar ook u zou zich moeten aansluiten bij Zijn leven in Liefde. U zou Hem moeten navolgen. U zou eveneens moeten streven naar een leven in liefde om dan deelachtig te kunnen worden aan het verlossingswerk.

Want pas door een leven in liefde wordt in u het weten over het werk van erbarmen tot een levende zekerheid, dat u verlost bent, wanneer u zelf dit zult willen en u zich overgeeft aan de goddelijke Verlosser Jezus Christus, wanneer u dus de weg inslaat tot onder Zijn kruis. Het geloof in Hem zal u ook naar Hem toe drijven. U zult God Zelf in Hem herkennen en Hem aanroepen om erbarmen en vergeving van uw schuld. U zult Hem vragen om genaden, die Hij voor u door Zijn dood aan het kruis heeft verworven. U zult weten dat u niet meer reddeloos aan de vijand bent overgeleverd, maar dat Een u van hem kan en wil vrijmaken, wanneer u zelf zich aan deze Ene toevertrouwt.

Maar wie aan het kruis voorbijgaat, wie niet in Hem gelooft en ook geen innerlijke band met Hem tot stand brengt, die is nog net zo ver van God verwijderd als bij zijn val in de diepte, ook wanneer hij de graad van ontwikkeling als mens heeft bereikt. Maar pas de vrije beslissing voor Jezus Christus is de beproeving van de wil die moet worden doorstaan en die hij als mens moet afleggen. En heeft hij geen enkele band met Jezus Christus, dan is zijn oerschuld nog niet van hem afgenomen, die hem ver wegdrong van Zijn God en Schepper, die in Jezus Christus als Vader herkend en erkend wil worden.

Hij heeft zijn blik nog niet naar het kruis toegewend. Voor hem is het kruis geen teken dat maant naar God terug te keren. Hij gelooft niet in het werk van verlossing en de oerschuld belast hem nog zodanig, dat hij een geheel duistere geest heeft en niets kan inzien, omdat zijn wil daartoe ontbreekt. Hij heeft echter, net als ieder ander mens, gelegenheid na te denken over de Mens, die Zich Zelf aan het kruis liet slaan voor Zijn medemensen. Want het weten daarover wordt ieder mens toegevoerd, maar de mens moet ook zelf zijn standpunt tegenover dit weten innemen. En zijn instelling nu beslist of hij verlost van de aarde gaat dan wel of hij nog eeuwigheden gekluisterd blijft wanneer hij deze aarde moet verlaten.

Maar tot aan zijn dood blijft hem tijd voor zijn verlossing, dat wil zeggen: voor de juiste instelling tegenover Jezus Christus en Zijn verlossingswerk. En tot aan zijn dood zal het kruis zichtbaar voor hem zijn. Steeds weer zal het in zijn gezichtsveld komen. Steeds weer zal het hem innerlijk naar het kruis drijven, wanneer hij zich niet zelf verweert en het kruis ontvlucht. Want Hij die aan het kruis is gestorven, lokt onophoudelijk de mensen naar Hem te komen onder Zijn kruis en daar de zondelast af te leggen, om vrij en verlost nu verder zijn weg te kunnen gaan en tenslotte door de poort het lichtrijk binnen te gaan, wanneer het uur van de dood voor hem is gekomen. Dan pas zal de mens opstaan tot leven. Zijn ziel zal verrijzen tot leven, ze zal de dood niet smaken, want ze is verlost van zonde en dood, van smarten en lijden. Ze is vrij geworden van haar schuld en keert nu voor eeuwig terug in haar Vaderhuis, want ze heeft de dood overwonnen, dus ook hem die eens schuld had aan haar val in de diepte.

Amen

Vertaald door: Gerard F. Kotte

Deze openbaring is opgenomen in het volgende themaboekje:
Themaboekje Titel Downloaden
97 Waar kom ik vandaan? Wat is mijn taak op aarde? Waar ga ik heen? ePub   PDF   Kindle  

Downloads

Download-aanbod voor boek _book
 ePub  
 Kindle  
  Meer downloads

Deze openbaring

 als MP3 downloaden  
Afdrukvoorbeeld
 Kladschriften