Enkel die ziel, die zich op aarde in nauwe verbinding met God de goddelijke wil als richtsnoer van zijn levenswandel gemaakt heeft, die zich door deze levenswandel van al het onreine gezuiverd heeft en in liefde op aarde gewerkt heeft, gaat het rijk van het licht binnen. Voor haar zijn de poorten van het paradijs ontsloten. Voor haar is in de meest stralende volheid van licht het doel van haar verlangens bereikt. Ze is verenigd met God.
Deze toestand vereist een God welgevallige levenswandel. Het vereist de volledige wil van de mens om bij God te komen. En zodra deze wil de mens beweegt, zal ook zijn leven zo zijn, dat het met de goddelijke wil overeenkomt, want een Hem toegenegen wil stuit het tegen de borst om iets te doen, wat niet goed is en zodoende rijpt de ziel van de mens. En de ziel schakelt zich gelijk aan de eeuwige Godheid en dit betekent de waardigheid om in de nabijheid van God te verblijven en zijn uitstraling van liefde in ontvangst te nemen.
Deze gelukzalige toestand kan de mens bij zijn overlijden op aarde ten deel vallen. De ziel kan aan de zwaarte van de aarde ontrukt worden en in hemelse streken opgenomen worden, als de opwaartse ontwikkeling van de ziel hem op aarde ernst was. Als het leven van de mens overeenkwam met de goddelijke geboden. Als hij de liefde beoefend heeft, dus zijn gang over de aarde een werkzaam zijn in liefde genoemd kan worden.
De mate van liefde van de mens bepaalt ook de mate van gelukzaligheid in het hiernamaals, want zo, zoals hij zijn naasten toegemeten heeft, zo wordt het hem ook toegemeten door God. Enkel die mens kan de liefdesuitstraling van God in ontvangst nemen, wiens hart zelf tot liefde in staat is, die dus eveneens liefde gegeven heeft.
Zonder een werkzaam zijn in liefde op aarde bestaat er geen gelukzaligheid, want Gods liefde doorstroomt alleen maar die ziel, die zich door een werkzaam zijn in liefde zo gevormd heeft, dat de liefdesuitstraling van God door haar ontvangen kan worden, hetgeen een tot liefde in staat zijnde en in liefde werkzame ziel vereist. Een gebrek aan liefde is ook een gebrek aan gelukzaligheid en dus een toestand van duisternis, omdat de gelukzaligheid erin bestaat, dat de ziel door het helderste licht doorstroomd wordt.
De mensen op aarde zijn zich niet meer bewust van hun toestand zonder licht, want de rijpheidsgraad van hun zielen is zo laag, dat ze niets weten van een toestand van licht, die voor hen een toestand van gelukzaligheid betekent en daarom streven ze deze toestand ook niet bewust na. Ze leven goed en daarom hebben ze ook geen verlangen naar een hoger leven. En zodoende kennen ze ook de weldaad van het licht niet, want ze voelen zich goed in de duistere toestand.
En daarom weten ze ook niets van de kracht en de macht van de liefde, die hen een onnoemelijk geluk in het hiernamaals op kan leveren. En zonder deze kennis zullen ze ook nooit hun leven in een leven van liefde veranderen en dus nooit de uitstraling van God waardig worden. Bijgevolg vertrekken deze zielen met lege handen en ze kunnen niet eerder tot de eeuwige zaligheid in het hiernamaals geraken, dan tot de liefdesvonk in hen een vlam geworden is en dus als een helder licht in de duisternis van de geest schijnt. Pas dan leert de ziel het geluk van de eeuwige zaligheid kennen, dat toeneemt al naar gelang de wil van de ziel om lief te hebben, die in een ijverige werkzaamheid in liefde voor de noodlijdende zielen in het hiernamaals tot uitdrukking komt.
Amen
VertalerDans le Royaume de la Lumière entre seulement l'âme qui sur la Terre a accédée à une intime liaison avec Dieu, qui a fait de la Volonté divine le fil conducteur de son chemin de vie et qui, par ce chemin de vie, s'est enlevé toutes les scories issues de ses impuretés et a agi dans l'amour sur la Terre. À celle-ci les Portes du Paradis sont ouvertes, elle a atteint le but de sa nostalgie dans la plus rayonnante plénitude de Lumière, elle s’est unie à Dieu. Cet état demande un chemin de vie complaisant à Dieu, il demande la pleine volonté de l'homme d'arriver à Dieu. Et dès que l'homme est animé par cette volonté, même sa vie sera vécue de telle sorte qu’elle corresponde à la Volonté divine, parce qu'une volonté qui Lui est dévouée refuse de faire quelque chose qui n'est pas bien et ainsi l'homme mûrit dans son âme. L'âme ressemble à l'éternelle Divinité et cela signifie être digne d’être dans la Proximité de Dieu et d'accueillir Son Rayonnement d'Amour. Cet état heureux et bienheureux peut être accordé à l'homme à son décès de la Terre. L'âme peut être libérée de la lourdeur terrestre et être accueillie dans les Champs célestes, si elle a tendue sérieusement à se développer vers le Haut déjà sur la Terre, si la vie de l'homme a correspondu aux Commandements divins, s'il a exercé l'amour, alors son chemin terrestre peut être appelé action d'amour. Le degré d'amour de l'homme détermine le degré de béatitude dans l'au-delà, parce que comme il a mesuré à son prochain, ainsi il sera mesuré lui-même de la part de Dieu. Seulement l'homme dont le cœur est aussi capable d’aimer, et qui a aussi donné l’amour, peut recevoir le Rayonnement d'Amour de Dieu. Sans action d'amour sur la Terre il n'existe aucune béatitude, parce que l'Amour de Dieu afflue seulement à l'âme qui s'est formée par des actions d'amour, pour qu'elle puisse recevoir le Rayonnement d'Amour de Dieu, ce qui suppose une âme capable d'aimer et d'agir dans l'amour. Le manque d'amour signifie aussi le manque de béatitude et à travers l'âme la Lumière s’écoule plus clairement. Les hommes sur la Terre ne se rendent pas compte de leur état sombre, sans Lumière, parce que le degré de maturité de l'âme est tellement bas qu'ils ne savent rien d'un état de Lumière qui signifierait pour eux un état de béatitude et donc ils ne tendent pas consciemment à cet état. Ils vivent, certes, mais ils n'ont aucun désir vers le Haut. Et ainsi ils ne connaissent pas le bénéfice de la Lumière, toutefois ils ressentent l'état d'obscurité. Donc ils ne savent rien de la Force et du Pouvoir de l'Amour qui peut leur procurer un indiciblement grand bonheur dans l'au-delà. Et sans ce savoir ils ne changeront pas leur vie en une vie d'amour et ainsi ils ne seront jamais dignes du Rayonnement de Dieu. Par conséquent ces âmes vont les mains vides et elles ne peuvent pas arriver à l'éternelle béatitude dans l'au-delà, tant que l’étincelle d'amour en elles n’est pas devenue une flamme qui brille avec une claire Lumière dans l'obscurité de l'esprit. Seulement alors l'âme apprend à connaître le bonheur de l'éternelle béatitude qui augmente selon la volonté d'amour de l'âme, et qui se manifeste dans une fervente activité d'amour pour les âmes souffrantes dans l'au-delà.
Amen
Vertaler