Het zich afkeren van de wereld vereist wilskracht, dus hulp van de kant van God, als de wil van de mens zelf te zwak is. Dat wil zeggen als de wereld nog verleidend voor hem is. Het is een genade, die door leed en zelfverloochening verworven is, als mens zich gemakkelijk van de wereld en haar goederen, dus van de materie, verlossen kan. Maar deze genade moet nagestreefd worden. Dat wil zeggen dat de mens moet willen dat hij onaangedaan blijft voor de aantrekkingskracht van deze wereld.
Dit kan bewust gebeuren. Maar ook dan is deze wil aanwezig, als de mens van elk verlangen afziet. Als hij zich berustend in de zelfverloochening schikt, die hem door het lot toebedacht is. De verleidingen zullen steeds weer op hem afkomen en dan moet de bewuste wil ingeschakeld worden om van aardse vreugden af te zien. Dan zal zijn wilskracht steeds sterker worden en is hij een overwinnaar van de materie geworden.
In dezelfde mate als hij afstand doet van de wereld, wordt zijn ziel rijper, want hij zal altijd het gebrek aan aardse genoegens proberen te compenseren met geestelijke goederen. Hij zal, als hij geestelijke goederen nog niet bewust nastreefde, nadenkend worden over de wereld, over de aarde, haar doel en het doel van zijn aardse leven. En hij zal gemakkelijk geestelijke gebieden binnendringen, omdat aardse boeien hem niet meer weerhouden van de vlucht omhoog, naar het geestelijke rijk. En wat hem nu aangeboden wordt, weegt veelvoudig tegen de aardse vreugden op. En wat hij eerst nog berustend opgaf, heeft voor hem nu geen aantrekkingskracht meer en zijn verlangen betreft alleen nog maar geestelijke goederen, waarvan het bezit hem onnoemelijk gelukkig maakt en hem in volledig andere sferen laat verblijven, ofschoon hij nog op aarde is.
Maar nooit kunnen beide goederen tegelijkertijd door de mens ontvangen worden. De aarde en het geestelijke rijk zijn twee gescheiden werelden, die alleen maar door het afzien van één daarvan de mens gelukkig kan maken. De geestelijke wereld vereist een volledig afzien van dat, wat op aarde begerenswaardig is, om dan echter de mens rijkelijk te bedenken met goederen, die heel wat waardevoller zijn dan de aardse goederen.
Zolang de mens nog door dingen van de aardse wereld bekoord wordt, is hij nog niet in staat om dat op te nemen, wat hem uit het geestelijke rijk aangeboden wordt. Zodoende moet hij zich eerst losmaken, dat wil zeggen zich vrij maken, van aardse verlangens. Hij moet stil zijn in God en niets meer verlangen van zijn aardse leven. Hij moet zich in vertrouwen aan God overgeven en uit Zijn hand ontvangen, wat God hem geven wil. Dan zal hij al naar gelang de grootte van zijn verlangen geestelijke goederen in ontvangst kunnen nemen.
Want zodra de mens bereid is om aardse goederen op te geven, is hij vrij van de eigenliefde. Deze heeft zich veranderd tot onbaatzuchtige naastenliefde. Hij is bereid te geven, omdat hij niets meer voor zichzelf verlangt. Zodoende zal het afzien van de goederen van de wereld steeds een werk van liefde tot gevolg hebben, want zodra hij geestelijke geschenken ontvangt, dringt dit hem tot het doorgeven van zowel geestelijke, alsook van aardse goederen, omdat hij nu in het werkzaam zijn in liefde door God staat en niets anders kan, dan eveneens in liefde werkzaam te zijn. En daarom moet de mens voortdurend een strijd voeren tegen de verleidingen van de wereld. Dat wil zeggen dat hij de bekoringen hiervan moet proberen te overwinnen, omdat hij alleen maar dan de verbinding met de geestelijke wereld tot stand kan brengen, die hem nu goederen opleveren, die tot in de eeuwigheid duurzaam zijn.
Amen
VertalerDer Welt zu entsagen erfordert Willenskraft, also Unterstützung göttlicherseits, so des Menschen Wille selbst zu schwach ist, d.h. die Welt noch verlockend für ihn ist. Es ist eine Gnade, die durch Leid und Entsagung erworben ist, wenn sich der Mensch leicht von der Welt und ihren Gütern, also von der Materie, lösen kann. Doch es muß diese Gnade angestrebt werden, d.h., es muß der Mensch wollen, daß er unberührt bleibe von den Reizen dieser Welt. Es kann dies bewußt geschehen; aber auch dann ist dieser Wille vorhanden, wenn der Mensch sich jeden Begehrens enthält, wenn er sich ergeben in die Entsagungen fügt, die ihm vom Schicksal aus zugedacht sind. Die Versuchungen werden immer wieder an ihn herantreten, und dann muß der bewußte Wille einsetzen, sich der irdischen Freuden zu enthalten, dann wird seine Willenskraft immer stärker werden, und er ist zum Überwinder der Materie geworden. Im gleichen Maß, wie er der Welt entsagt, reift er an seiner Seele, denn er wird immer den Mangel an irdischen Genüssen auszugleichen suchen mit geistigen Gütern.... Er wird, so er geistiges Gut noch nicht bewußt anstrebte, nachdenklich werden über die Welt, über die Erde, ihren Zweck und den Zweck seines Erdenlebens. Und er wird leicht eindringen in geistiges Gebiet, weil ihn keine irdischen Fesseln zurückhalten von dem Flug zur Höhe, in das geistige Reich. Und was ihm nun geboten wird, wiegt die irdische Freude ums vielfache auf.... Was er zuvor noch mit Entsagung aufgab, bedeutet für ihn nun keinen Reiz mehr, und sein Verlangen gilt nur noch den geistigen Gütern, deren Besitz ihn unsagbar beglückt und in völlig anderen Sphären weilen läßt, obgleich er noch auf der Erde ist. Niemals aber können beide Güter zugleich von dem Menschen empfangen werden. Die Erde und das geistige Reich sind zwei getrennte Welten, die nur unter Verzicht der einen den Menschen beglücken können. Die geistige Welt fordert völlige Verzichtleistung dessen, was auf Erden begehrenswert ist, um aber dann den Menschen überreich zu bedenken mit Gütern, die ungleich wertvoller sind als die Erdengüter. Solange den Menschen noch Dinge der diesirdischen Welt reizen, ist er noch nicht aufnahmefähig für das, was ihm aus dem geistigen Reich geboten wird. Also muß er zuvor sich lösen, d.h. sich frei machen, von irdischen Begierden.... er muß stille sein in Gott, nichts mehr verlangen von seinem Erdenleben, er muß sich Gott vertrauend hingeben und aus Seiner Hand empfangen, was Gott ihm bieten will.... Dann wird er geistiges Gut in Empfang nehmen können je nach Stärke seines Begehrens. Denn sowie der Mensch bereit ist, irdisches Gut hinzugeben, ist er frei von der Ich-Liebe, es hat sich diese gewandelt zu uneigennütziger Nächstenliebe, er ist bereit zu geben, weil er nichts mehr für sich verlangt. Also wird die Verzichtleistung den Gütern der Welt gegenüber immer eine Liebetätigkeit nach sich ziehen, denn sowie er geistige Gabe empfängt, drängt ihn diese zur Weitergabe von geistigem wie auch irdischem Gut, weil er nun im Liebeswirken Gottes steht und nicht anders kann, als gleichfalls in Liebe zu wirken. Und darum muß der Mensch ständig einen Kampf führen gegen die Anfechtungen der Welt, d.h., er muß die Reize dieser zu überwinden suchen, weil er nur dann die Bindung mit der geistigen Welt herstellen kann, die ihm nun Güter einträgt, die Bestand haben auch in der Ewigkeit....
Amen
Vertaler