B.D.-Nr. 2788

Keuze tussen twee werelden – Geestelijk kijken en horen

Elke wereldse gedachte verzwakt de bekwaamheid van de mens om met geestelijke ogen te zien of met geestelijke oren te horen. En daarom moet hij er steeds naar streven om zich los te maken van de wereld. Hij moet al het aardse leren verachten om nu onverdeeld zijn geestelijke vervolmaking na te kunnen streven. Want zodra hij in staat is om geestelijk te schouwen, zodra zijn oor in staat is de stem van het hart, de mededelingen uit het geestelijke rijk, te horen, zal hij ook geestelijk rijp worden, terwijl de wereld hem geen geestelijke goederen kan bieden en hem veeleer nog berooft, omdat ze hem de bekwaamheid daarvoor afneemt.

Er zijn twee werelden, die zich dichter bij de mensen willen brengen en de vertegenwoordigers van elk van deze werelden doen hun best om zich te laten gelden. De wil van de mens moet zelf kiezen in welke wereld hij wil verblijven. De aardse vreugden en bekoringen van de wereld ziet hij met lichamelijke ogen en hij voelt deze met lichamelijke zintuigen. De schatten van de geestelijke wereld daarentegen openbaren zich niet zichtbaar aan hem.

Als hij deze wil zien, dan moet hij in zichzelf eerst de bekwaamheid daarvoor ontwikkelen, waarvoor in de eerste plaats de wil van de mens de voorwaarde is. Hij moet zich in weerwil van de wereld in zijn innerlijke leven terugtrekken. Hij moet zijn zintuigen openen voor de geestelijke toestroom. Hij moet luisteren en gadeslaan, wat hem uit het geestelijke rijk gegeven wordt en het zal hem des te begrijpelijker en helderder zijn, des te meer hij zich van de wereld scheidt en het verlangen naar haar onderdrukt. Want hem kan maar één wereld aangeboden worden. Eén wereld moet opgeofferd worden om in de andere wereld te komen. Zolang de mens nog op aarde verblijft, is het voor hem een strijd, want de aardse wereld trekt steeds weer de aandacht.

De wil om een blik te kunnen werpen in het geestelijke rijk voert de mens echter voortdurend de kracht toe om de aardse wereld te overwinnen en de bekwaamheid om geestelijk te zien en te horen, groeit van uur tot uur als de mens het ernstig wil om de aardse wereld in te ruilen voor dit geestelijke rijk. Hij is dan met gemak in staat van haar te scheiden. Hij hoort de stem van de lichtwezens in zich spreken, die alleen maar de organen van de goddelijke stem zijn. Hij ziet, wat zijn lichamelijke ogen niet in staat zijn te zien en zijn kennis neemt steeds meer toe.

Maar steeds is het een kennis, die voor de wereld betekenisloos is, maar die de mens aan moet en kan sporen om eveneens de toestand na te streven, die hem de goederen van het geestelijke rijk oplevert. Hij moet al het geestelijke in zich zoeken, maar al het wereldse daarentegen probeert om van buiten toegang tot hem te krijgen.

En opnieuw kan het geestelijke pas dan aan de medemensen gegeven worden, wanneer deze eveneens naar binnen keert, want pas dan is hij in staat om het hem aangebodene op te nemen, terwijl hij het eerst met lichamelijke oren opnam, maar het blijft dood voor hem, zolang hij het niet tot het hart laat spreken. Wat waarde moet behouden voor de eeuwigheid, dat moet de mens vanuit het hart toegestuurd worden, want dit zijn de stromen uit het geestelijke rijk, die in het hart als gedachten opduiken en bewust door de mens gegrepen moeten worden om nu werkzaam in hem te kunnen worden.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.