B.D.-Nr. 2786
De goddelijke krachtstroom, die onophoudelijk naar elk scheppingswerk toegestuurd wordt, wordt niet minder, ofschoon het gedurende eeuwigheden het gehele heelal leven geeft. Het kan alleen maar in zichzelf toenemen door de toestroom van de kant van het wezenlijke, dat door actief te zijn nieuwe kracht voortbrengt. Het toenemen van kracht is een proces, dat hetzelfde is als een nieuw opgewekt leven. Er ontstaan nieuwe scheppingen. Ze worden door de kracht uit God, die deze toegestuurd wordt, gevoed. Deze kracht spoort hen tot onophoudelijke activiteit aan en brengt weer nieuw leven voort. Want elke activiteit brengt een vernieuwing tot stand, die weer drager is van de kracht uit God, ofschoon ook in de meest verschillende sterkten of volheid van kracht. Maar altijd spoort de kracht uit God tot activiteit aan en elke activiteit brengt nieuwe kracht voort. Zodoende neemt de krachtstroom uit God voortdurend toe en dit heeft ook het ontstaan van steeds nieuwe scheppingen tot gevolg.
Hoe minder weerstand de krachtstroom uit God nu bij de mensen vindt, dat wil zeggen hoe bereidwilliger de mensen zijn om de hun toegestuurd wordende kracht te benutten, doordat ze voortdurend actief blijven in wat altijd het welzijn van de medemensen bevordert, des te ongeremder kan de kracht uit God naar de mensen overstromen. En kracht uit God ontvangen, betekent dat hij op de meest ijverige manier werkzaam kan zijn. Hij zal prestaties volbrengen, bij bijna onbegrijpelijk lijken voor de mensen.
Als hij nu zelf door zijn handenarbeid scheppingen laat ontstaan, dan worden deze scheppingen weer dragers van geestelijke substanties, die door het toevoeren van de goddelijke krachtstroom eveneens aanleiding tot activiteit geven en zo kunnen uit een schepping onnoemelijk veel nieuwe scheppingen voortkomen, die allen dezelfde kracht uit God ontvangen en voortdurend gevoed worden door Zijn enorme liefde.
De krachteloosheid van de mensen is meestal daarnaar terug te leiden, dat ze zich voor de krachtstroom uit God afsluiten, wat dan het geval is, als de levenswandel van de mensen het toesturen van de krachtstroom uit God onmogelijk maakt. Wanneer de mens geen daad van liefde verricht en daarom ook geen liefdeskracht van God in ontvangst kan nemen. Want de levenskracht, die de mens toestroomt, stelt de mens in staat tot activiteit, maar dwingt hem daar niet toe. Maar de toegenomen toestroom vereist de actieve werkzaamheid in liefde van de mens en die werkzaamheid brengt weer nieuwe kracht voort.
Dit is een wet, die onherroepelijk is, maar die ook een hoofdwet van de schepping is, die daarom alleen maar denkbaar is in ononderbroken werkzaamheid, zelfs als deze niet duidelijk herkenbaar is voor de mens. De activiteit van de mens echter zal altijd producten voortbrengen, die zichtbaar zijn of zichtbare scheppingen completeren of het doel hebben om bestaande scheppingswerken om te vormen. En dit betekent een voortdurende toename, maar nooit een afbreken of verminderen van de kracht, die vanuit God het heelal in stroomt. Want God is volmaakt en wat uit Hem voortgekomen is, kan niet begrensd zijn, zodra het volmaakt is.
Amen