B.D.-Nr. 2777
In het geestelijke rijk zijn alleen maar die wezens tot een onderwijzende taak toegelaten, die over een kennis beschikken, die zich over alle gebieden uitstrekt. Elk wezen kan wel de kennis, die hij de zijne noemt, aan de onwetende zielen in het hiernamaals doorgeven, maar er wordt een alles omvattende kennis geëist van de wezens, van wie het de taak is om de mensenkinderen, alsook de zielen in het hiernamaals, voortdurend te onderwijzen. Deze wezens hebben een hogere rijpheidsgraad. Ze ontvangen hun kennis voortdurend van God en nemen daardoor voortdurend in wijsheid toe, ofschoon ze van hun kant dit overeenkomstig hiermee uitdelen.
Zodra dus een mens op aarde ervoor bestemd is om de medemensen de goddelijke wijsheid binnen te leiden, moet hij van tevoren deze wijsheid in ontvangst genomen hebben. Hij moet van tevoren zelf op zo’n manier onderwezen worden, dat dwaling volledig uitgesloten wordt. En deze onderwijzende taak wordt door deze wezens verricht, die in de nauwste verbinding met God staan en van God Zelf de waarheid als krachtstroom, die hun onophoudelijk toestroomt, in ontvangst nemen.
De werkzaamheid van alle wezens in het hiernamaals, die in het licht staan, bestaat in het doorgeven van dat, wat het wezen zelf ontvangt. Echter kan elk wezen alleen maar dat uitdelen, wat zijn rijpheidsgraad hem zelf opgeleverd heeft. Zodoende is de lichtgraad verschillend en overeenkomstig daarmee is ook de kennis. En deze kennis moeten ze ook weer in ontvangst nemen van de lichtwezens, die de onderwijzende taak hebben.
Daarom kunnen de mensen, die op aarde door de geest van God onderwezen worden, zich vol vertrouwen aan de leerkrachten overgeven, want deze zijn ontvangers van licht en kracht, die rechtstreeks van God licht en kracht, de uitstraling van Zijn geest, in ontvangst nemen en naar de aarde leiden. Het zijn die mensen, waarin de geest van God werkzaam is, die dus als het ware door God Zelf onderwezen worden, ofschoon de kennis door deze nauw met God verbonden lichtwezens naar hen toe geleid wordt, want al het lichtvolle is met God verenigd. De doorstroming met goddelijke kracht wordt door het individuele wezen als onvoorstelbaar gelukkig makend ervaren en God draagt deze werkzaamheid in liefde op die wezens over, die de vereniging met Hem al gevonden hebben, omdat Hij hen gelukkig wil maken.
Maar ook in het geestelijke rijk wordt er acht geslagen op de wetten van God en de wezens kunnen niet willekeurig werkzaam zijn, maar ze moeten zich aan de goddelijke wil onderwerpen, die ze echter als hun eigen wil ervaren. En daarom zal geen wezen zich met een activiteit op de voorgrond dringen, die boven zijn rijpheidsgraad uitstijgt, waarvoor dus meer kennis vereist is, dan het wezen bezit. En daarom hoeft de ontvangende mens op aarde ook niet te vrezen dat wezens hem naderen, die door eigen onwetendheid hem ontoereikende of verkeerde kennis zouden kunnen geven, want volledig onwetende wezens hebben geen toegang tot die mensen, die zich aan het werkzaam zijn van de geest overgeven. Lichtwezens, die niet die graad bereikt hebben, dat ze de taak van onderwijzer uit kunnen oefenen, verschijnen alleen maar om tegelijkertijd kennis in ontvangst te nemen, als de mens op aarde onderwezen wordt, omdat dit met de goddelijke wil overeenstemt.
Maar zodra de mens via de gedachten onderwezen wordt, kunnen die wezens zich via de gedachten uiten, die over omstreden vragen onderwezen zijn, vooropgesteld dat de mens naar de zuivere waarheid verlangt en zich door zijn levenswandel waardig maakt om in de waarheid onderwezen te worden. Dus de tegenstander geen macht over zich geeft door een aan God tegengestelde levenswandel. Maar het belangrijkste is om zich voor dit onderwijs af te sluiten, de licht en kennis uitdelende wezens op zich in te laten werken en geen verzet te bieden tegen dit werkzaam zijn.
Want de wetende wezens van het geestelijke rijk houden zich in de nabijheid van elk mens op en ze proberen hem voortdurend via de gedachten het geestelijke rijk binnen te leiden. Als de mens nu aan deze invloed toegeeft en ernaar verlangt om de waarheid binnen te dringen, kan hij voortdurend onderwezen worden en wel des te uitvoeriger naarmate hij er meer naar verlangt. En nu komen deze krachten in actie, van wie de kennis onbeperkt is. Want het verlangen naar de waarheid getuigt ook van het verlangen naar God en de eeuwige Godheid nadert daarom een verlangend mens Zelf, doordat Ze hem de krachtuitstraling van Zichzelf door licht- en krachtdragers toe laat stromen. En licht en kracht vormen een kennis, de diepste goddelijke wijsheden, die de mensen nu aangeboden wordt. Via de gedachten of het hoorbare innerlijke woord.
De lichtgraden in het geestelijke rijk zijn dus doorslaggevend voor welke mate van kennis het geestelijke wezen de zijne noemt en met deze kennis werkt het nu en weliswaar ook weer in de hem toegewezen sferen, waar naar zijn kennis verlangd wordt en daarom ook uitgedeeld kan worden. Deze sferen kunnen zich nu ook over de aarde uitstrekken, want ze zijn niet aan ruimte gebonden, maar afhankelijk van de bereidheid om op te nemen en van de mate van onwetendheid, zowel op aarde alsook in het geestelijke rijk. En daarom kunnen alle wezens, die al lichtontvanger zijn, steeds daar werkzaam zijn, waar de rijpheidsgraad van de ziel met de kennis van de gevende wezens overeenstemt, waar dus het uitdelende wezen die kennis bezit, die het ontvangende wezen nog ontbreekt.
Maar als nu het mensenkind zich aan God ten dienste aanbiedt, dat het dus bewust wil werken aan het terugwinnen van de zielen voor God, dan heeft het ook voor dit werk een bijzondere kennis nodig. Dat wil zeggen dat de mens dat, wat hij als arbeider van de Heer uitdelen wil, ook op de duidelijkste en meest begrijpelijke manier moet ontvangen. Hij moet op zo’n manier onderwezen worden, dat elke kennis voor hem ontsloten wordt. Dat hij over het geestelijke verband van alle dingen goed onderricht is en zelf in de volste waarheid wandelt.
Maar zulk onderwijs wordt alleen maar door de daartoe bestemde leerkrachten, die nu in opdracht van God de mens in alle wijsheid binnenleiden, uitgevoerd. Want de eisen, die nu aan hem gesteld worden, kan hij alleen maar vervullen, als hij over alles, wat het besturen en werkzaam zijn van God betreft, goed onderwezen is. Het is zijn taak om de kennis, die hij zelf ontvangt, te verspreiden, dus op aarde weer onderwijzend actief te zijn en deze onderwijzende werkzaamheid vereist begrijpelijkerwijs een complete kennis, wat hem alleen maar door die lichtwezens gegeven kan worden, die zelf in de diepste kennis staan.
Maar deze waken ook over het geestelijke goed van de mens, dus ze verhinderen elke verkeerde overdracht door geestelijke krachten. Ze beschermen de mens tegen verkeerd denken en leiden zijn gedachten steeds naar de juiste kennis. Want met de diepste kennis staat hen ook de grootste kracht ter beschikking, waar tegenover alle minder volmaakte wezens krachteloos zijn. De onwetende, onvolmaakte wezens is de toegang belet, want het waarheidsverlangen van de ontvangende mens stelt zelf een grens, die ze niet kunnen overschrijden.
En daarom kan de mens met volle overtuiging het hem gegeven geestelijke goed als de diepste waarheid in ontvangst nemen. Hij hoeft niet te vrezen om verkeerd geleid te worden, zodra hij zich in deemoed en liefde aan God ter beschikking stelt om voor Hem op aarde werkzaam te zijn. Zijn naar God toegekeerde wil en het verlangen naar de zuivere waarheid beschermen hem tegen elke vergissing en maken hem ook bekwaam voor een opdracht, die weer het verspreiden van de waarheid op aarde betreft. Hij kan zich vol vertrouwen aan de wezens van het licht overgeven en zich door hen laten onderwijzen.
Amen