B.D.-Nr. 2772
De genade van de innerlijke verlichting zal altijd het gevolg zijn van onbaatzuchtige werkzaamheid in liefde. Zodoende moet dit altijd voorafgegaan zijn aan waar God door Zijn geest in het woord tot de mensen komt. Hij giet Zijn geest uit over die mensen, die hun best doen om geheel volgens Zijn geboden te leven. Die dus in liefde actief zijn en zich daardoor innig met God verbinden, zodat Hij hen als Zijn werktuigen kan gebruiken en Hij nu door hen spreekt, alsof Hij te midden van hen verblijft. God spreekt tot de mensen en Hij brengt hun het evangelie. Hij onderwijst hen door Zijn wil en leidt hen een buitengewone kennis binnen. Hij verlicht hun geest, zoals Hij het beloofd heeft gedurende Zijn gang over de aarde.
Maar de mens moet ook overeenkomstig hiermee voorbereid zijn, opdat de geest van God in hem werkzaam kan zijn. Hij moet dan naar de innerlijke stem luisteren, die zich altijd aan hem bekendmaakt. Hij moet al het aardse uit zijn gedachten elimineren en vurig naar de verbinding met de geestelijke wereld verlangen. Hij moet zich klaar maken als opnamevat voor de uitstraling uit God, die ononderbroken het heelal in stroomt.
Het gehele geestelijke rijk is er in zoverre in zekere zin bij betrokken, dat de geestelijke wezens, die volmaakt en dus met God verbonden zijn, de uitstraling van God in ontvangst nemen en deze nu verder naar het menselijke hart leiden, zodat de ziel nu gegeven kan worden, wat de geest in haar uit het geestelijke rijk ontvangt. Hoe inniger de mens zich bij God aansluit door een werkzaam zijn in liefde en deemoedig gebed, des te helderder en begrijpelijker hoort hij tot zijn onuitsprekelijke vreugde en gelukkig making de stem van God in zich. Want wat hij ontvangen heeft, mag hij houden en in zekere zin gebruiken, doordat hij het aan de medemensen geeft.
En ook dit doorgeven zal onder bescherming van de goddelijke geest staan, doordat de mens eveneens een verlichte geest heeft, als hij de medemensen wil onderwijzen, zodat er niets verkeerds doorgegeven kan worden, maar hij enkel de zuivere waarheid uitdeelt, omdat de geest van God hem voor dwaalleren behoedt.
Hoe gemakkelijk is het voor de mens om zich de zuivere waarheid toe te eigenen en hoe weinig wordt dit voorrecht benut? God heeft Zijn geest beloofd aan allen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. En Zijn gebod is Hem en de naasten lief te hebben met het hele hart. Het vervullen van dit gebod heeft een onnoemelijke zegen tot gevolg, want de mens wandelt nu niet meer op aarde, maar hij kan altijd het geestelijke rijk betreden en de schatten van het geestelijke rijk meenemen naar de aarde.
Al het aardse valt van hem af, zodra hij het geestelijke rijk betreedt. En Gods liefde erbarmt zich over de onwetendheid van het mensenkind en Hij leidt het de hele waarheid binnen. En enkel de waarheid kan de mens gelukkig maken. Alleen de waarheid kan zijn ziel de opwaartse ontwikkeling garanderen, want de waarheid is kracht uit God, die de mens, naar wie het toestroomt, met God verbindt.
En daarom moet de mens eerst in de liefde werkzaam zijn om de waarheid te kunnen ontvangen. Om door de geest van God verlicht te worden en helder en duidelijk te kunnen herkennen, wat de waarheid is. God zendt Zijn geest uit over alle mensen, die in liefde leven en die ernaar verlangen de stem van God te horen en Hij leidt hen door Zijn geest de waarheid binnen.
Amen