B.D.-Nr. 2748
Mensen worden geestelijk afhankelijk, als ze zich door medemensen in een geestelijke richting laten dwingen, die van hen een zonder tegenspraak aannemen van hun leringen eist, wat hen zodoende van hun geestelijke vrijheid berooft. De mens moet hier wel kennis van nemen, maar zonder dwang elke hem aangeboden lering mogen gebruiken. Hij mag niet beïnvloed worden en vrij voor of tegen deze lering kunnen kiezen. De geestelijke vrijheid mag niet aangetast worden en de mens blijft net zo lang in geestelijke vrijheid, zolang hij niet door dwang of bedreigingen beïnvloed wordt om voor een bepaalde richting te kiezen. Zodra hij met tijdelijke of eeuwige straffen bedreigd wordt, wordt zijn beslissing al in zoverre ongunstig beïnvloed, dat ze door vrees gedreven genomen wordt en dan is deze ongeldig voor God.
De mens moet wel het effect van de juiste of de verkeerde gang over de aarde voor ogen gehouden worden, maar nooit mag daarvoor de uitdrukking straf of beloning gebruikt worden, maar het moet hem duidelijk gemaakt worden, dat het in zijn macht ligt om het leven in het hiernamaals mooi of ondraaglijk te laten zijn. Dat hij dus zelf door zijn levenswandel de toestand in de eeuwigheid bepaalt. Dat hij voor zichzelf iets onvergelijkbaar kostelijks scheppen kan, maar dat hij zichzelf door zijn wil ook een gebrekkig, kwellend lot kan bereiden, maar dat zijn lot in het hiernamaals nooit een opgelegde straf of een beloning is, want hij moet nooit ter wille van de beloning opwaarts streven, zoals hij ook nooit uit vrees voor straf zijn willen en handelen daarop afstemt.
Maar zodra de gedachten van de mens door geloofsleren zo geleid worden, dat hij zijn leven onder een bepaalde dwang leidt, dat hij dus voorgeschreven handelingen of ook werken van liefde alleen maar uitvoert, omdat deze hem in zekere zin tot plicht gemaakt worden, omdat een verzuim hiervan als zonde voorgesteld wordt, die straf voor hem teweegbrengt in de eeuwigheid. Als hij door het uitoefenen van zulke handelingen een beloning in de eeuwigheid probeert te verwerven, dan kan zijn handelen niet meer als vrije wil beschouwd worden. De mens staat veeleer in een geestelijke afhankelijkheid, die hem volgens voorschrift laat vervullen, wat uit eigen beweging, zonder vrees voor straf of hoop op beloning, gedaan moet worden.
De mens moet er steeds aan denken, dat hij zich in een niet verloste toestand bevindt, waaruit hij zich vrij moet en ook kan maken, als hij er de wil toe heeft. Dat hij zelf zijn lot in de eeuwigheid vorm kan geven, maar dat God hem nooit een straf oplegt of hem beloont voor dat, wat hij doen of laten moet voor zijn eigen verlossing. God geeft de mens de volste vrijheid en straf of beloning zou al een beknotting van de vrijheid van de wil van de mens zijn. Hij geeft zelf zijn lot vorm volgens zijn wil en enkel dit moet hem voor ogen gehouden worden, dat het aardse leven effect heeft voor de eeuwigheid, opdat hij zijn leven niet onverantwoordelijk leeft.
Maar als er geestelijke dwang uitgeoefend wordt, dan schakelt dit zijn vrije wil in zoverre uit, dat deze door vrees of hoop vervangen wordt en dan zijn de goede daden niet als werken van liefde te waarderen, want de volledig vrije wil daartoe is de eerste voorwaarde. Elke goede daad moet uit de liefde voortgekomen zijn en die liefde laat zich noch door vrees, noch door de hoop op een voordeel bepalen.
Daarom moet de mens ook alleen maar de liefde gepredikt worden, maar een werkzaam zijn in liefde mag nooit dwangmatig geëist worden, wat echter het geval is als de mens onder bedreiging van tijdelijke of eeuwige straffen tot zijn handelen en willen gebracht wordt. De liefde is niet door één of andere dwang op te wekken. Ze moet zich in het hart ontplooien en de mens aansporen tot alles, wat hij denkt en doet. Dan blijft de wil vrij en hebben zijn handelen en denken waarde voor God.
Amen