B.D.-Nr. 2745
De wereldsgezinde mens maakt geen gebruik van de genade van God. Deze staat hem wel in dezelfde mate ter beschikking, maar hij gebruikt deze niet. Hij heeft er geen verlangen naar en vraagt er ook niet om. In de genade van God te staan, betekent alle middelen voor de opwaartse ontwikkeling van de ziel toegestuurd te krijgen, dus altijd en overal hulp te vinden, die het uitrijpen van de ziel mogelijk maakt.
Maar de wereldsgezinde mens streeft niet naar de rijpe toestand van de ziel. Bijgevolg neemt hij geen nota van deze hulpmiddelen. Hij heeft deze niet nodig. Hij schenkt geen aandacht aan de genade van God en is zonder de goddelijke hulp te zwak om zijn doel op aarde te bereiken. Hij zal voortdurend aan alle gelegenheden voorbijgaan, die bevorderlijk voor zijn ziel zouden zijn geweest.
Want ofschoon de mens ook geen enkel gebruik maakt van de genade van God, laat God hem nochtans geen gebrek lijden. Hij trekt zich dus niet geheel van hem terug, doordat Hij geen aandacht aan hem schenkt en hem zodoende van de genadeschenking uitsluit, maar gedurende het hele leven nadert Hij de mens steeds weer. Hij toont hem steeds weer de juiste weg. Hij stuurt Zijn dienaren naar hem toe. Hij biedt hem tot op zekere hoogte de genade steeds weer aan, omdat Hij de mensen voor Zich wil winnen.
Maar de vrije wil van de mens moet actief worden om de genade te accepteren, als hij geestelijk succes wil hebben. Hij moet bewust een beroep doen op Gods hulp. Maar meestal zijn de wereldsgezinde mensen zonder enig geloof en bijgevolg doen ze geen beroep op iets, wat zijn grondslag alleen in het geloof heeft. Ze vragen niet om hulp, omdat ze zichzelf niet in nood wanen en omdat ze ook geen macht erkennen, Die hen zou kunnen helpen, wanneer ze hulp nodig hebben.
Hun geestelijke nood voelen ze niet. Het aardse leven is voor hen volop voldoende en ze gebruiken alle levenskracht om zich aards welzijn te verschaffen. Maar hun geestelijke ontwikkeling staat zo ver van hun denken af, dat ze daar niet de geringste kracht voor opbrengen en ook hun gebrek aan kracht voelen ze niet. Bijgevolg vragen ze ook geen hulp en begrijpen ze de hulp ook niet, als deze hun in de vorm van opheldering door wetende mensen aangeboden wordt. Want elke poging van een geestelijk strevend mens om de wereldse medemensen op dezelfde weg van geestelijk streven te brengen, is al een genade. Het is een hulp, die God de laatste stuurt door een mens, als Hij Zichzelf niet zichtbaar uit om de geloofsvrijheid van de mens niet in gevaar te brengen.
Maar als de mens afwijst, heeft hij de genade van God niet aangenomen. Hij heeft deze afgewezen en blijft daarom geestelijk op dezelfde lage trede staan, omdat zijn ontgeestelijkte toestand daadkrachtige hulp geboden moet worden en zonder deze hulp kan hij zijn wereldliefde, die een hindernis voor een geestelijk streven is, niet overwinnen. De mens als zodanig is te zwak om al zijn fouten en begeerten te overwinnen. Maar hij kan dit wel met de hulp van God, met de genade, die hem door Zijn liefde steeds weer aangeboden wordt en die hij maar hoeft te gebruiken om geestelijk rijp te worden, zolang hij nog op aarde verblijft.
Amen