B.D.-Nr. 2743
Stel u de lage geestelijke stand van de mensen voor, die in een toegenomen liefdeloosheid, in volledig ongeloof en in een leiden van het leven op puur materiële basis tot uitdrukking komt, dan zult u ook de noodzaak inzien om deze geestelijk lage stand op te heffen, zodra u over de eigenlijke zin en het doel van het aardse leven onderricht bent. Bijgevolg is de kennis daarom in zoverre nodig, dat het besturen en werkzaam zijn van God dan begrijpelijk voor de mensen wordt. Dat hij dan beseft, dat alleen de liefde van God aan alle gebeurtenissen ten grondslag ligt, ofschoon het nog zo vol leed en ondraaglijk voor de mensen lijkt.
Hoe verder de mens zich door liefdeloosheid van God verwijdert, des te onbegrijpelijker is het voor hem, dat een Godheid het wereldgebeuren zo leiden moet, omdat het naar zijn mening noch van wijsheid, noch van liefde getuigt. En daarom wijst hij God volledig af. Hij geeft elk geloof in een almachtige, liefdevolle en wijze Schepper op. En het is moeilijk om zo’n mens iets anders te leren. Het is moeilijk om hem de zin en het doel van het goddelijke besturen begrijpelijk te maken, zolang hij toch al niets erkent dan dat, wat zichtbaar en tastbaar voor hem is.
Het leed van de huidige tijd laat wel enige mensen de weg naar God terugvinden, maar veeleer verliezen ze hun geloof geheel en dat uit onwetendheid, uit gebrek aan kennis van het eigenlijke doel van het aardse leven. Maar ze hebben zelf in zoverre schuld aan hun onwetendheid, omdat ze er zonder liefde op los leven. Omdat ze een verkeerde wil hebben en hun levenskracht niet op de juiste wijze gebruiken: in dienende naastenliefde. Want anders zouden ze door de geest in zich onderwezen worden. Hun denken zou juist zijn. Ze zouden in gedachten gewezen worden op hun eigenlijke doel en ook de wantoestand herkennen, die de liefdeloosheid van de mensen tot stand brengt.
De mens verhardt zich steeds meer door zijn verkeerde denken, dat duistere machten hem inprenten en toch kan hij niet anders geholpen worden dan door hem te wijzen op zijn verkeerde levenswandel. Op de gevolgen hiervan, zowel voor hemzelf en zijn ziel, alsook aards voor de totale mensheid, die hetzelfde denkt als hij. Hij kan alleen maar op deze gevolgen opmerkzaam gemaakt worden en hieraan deze waarheid herkennen, dat ook de aangekondigde aardse gebeurtenissen werkelijkheid worden, zodat hij nu een verklaring voor het grote leed vindt, dat de aarde overkomt en hij nu in gedachten de leringen in overweging neemt. Dit is de enige mogelijkheid om hem op het komende grote gebeuren opmerkzaam te maken, ofschoon hij ook daarvoor nog een natuurlijke verklaring kan vinden, als hij heel koppig is.
Maar gedwongen kan zijn verkeerde denken niet naar het goede geleid worden. Het moet aan zijn wil overgelaten blijven om de gebeurtenissen met een deze leidende Godheid in verbinding te brengen. Het geloof in God kan door diep leed, door een buitengewone ingreep van God, die in de natuurlijke schepping tot uiting komt, verkregen worden. Maar alles kan ook zonder indruk te maken aan die mens voorbijgaan, die volledig met God gebroken heeft en dan bestaat er voor deze mens geen andere mogelijkheid om hem tot het besef te brengen.
Voor deze verlossingsperiode is hij verloren en hij moet aan een nieuwe verlossingsperiode beginnen. Hij staat zo ver van God af, dat hij de ontwikkelingsgang nog een keer door moet maken. Zijn wil, die hij in de vrije toestand verkeerd gebruikt heeft, moet opnieuw gebonden worden, omdat er anders geen verlossing voor hem mogelijk is.
Amen