B.D.-Nr. 2741
Talloze wezens gaan de ondergang tegemoet. Ze sturen op de afgrond aan, die hen onbarmhartig zal verzwelgen, als de menselijke wil hen niet zelf naar de terugkeer dwingt en de ziel nog op het laatste moment gered wordt. De mensen weten niets van hun mislukte aardse bestaan, als ze niet overeenkomstig het doel leven en het dus niet benutten. Ze accepteren ook geen onderricht, omdat ze niets geloven en de aarde alleen maar als doel op zich beschouwen, maar niet als middel tot het doel.
Door spreken kunnen ze niet onderwezen worden en daarom moeten er heftigere middelen gebruikt worden. Middelen, die weliswaar smartelijk zijn, maar ook succesvol kunnen zijn, als de mens niet koppig is en daardoor nog meer verhardt. Er moeten middelen gebruikt worden, die de mensen laten beseffen dat ook de aarde op haar grondvesten kan schudden en dat ze geen garantie biedt voor een zorgeloos, voor de mensen een heel bevredigend bestaan. Het moet de mens bewezen worden dat zijn bezorgdheid om aardse goederen vergeefs is, als er geen acht geslagen wordt op de wil van God en de aarde daarom haar eigenlijke doel niet meer vervult. De mens streeft niets anders na dan aardse goederen en blijft in een niet geestelijke toestand. Zijn ziel verkeert in grote nood, omdat ze zich niet opwaarts, maar neerwaarts ontwikkelt.
En als nu de tijd van het einde gekomen is, is ook de gang over de aarde tot een einde gekomen en is de tijd van haar opwaartse ontwikkeling voorbij. Er kunnen nu eindeloze tijden voorbijgaan, voordat de ziel weer haar aardse levensproef als mens mag af mag leggen en deze eindeloos lange tijd is buitengewoon kwellend voor het geestelijke, dat in het aardse leven gefaald heeft en daarom opnieuw de gang door het aardse leven, de ontwikkeling op aarde, af mag leggen.
De mensen kunnen niet in zijn volle omvang beseffen wat dit betekent en omdat ze niets geloven kan het hun ook niet duidelijk gemaakt worden of ze denken er niet ernstig over na. Maar God maakt het de mensen bekend. Hij maakt hen er opmerkzaam op, dat ze in groot gevaar verkeren. Hij waarschuwt en vermaant hen onophoudelijk door Zijn dienaren, door aardse gebeurtenissen, door lijden en zorgen en in het bijzonder door Zijn woord, dat Hij naar de aarde stuurt om de mensen er zeer nadrukkelijk op te wijzen hun leven te veranderen en de richtlijnen van God op te volgen, opdat de grote geestelijke nood opgeheven wordt. Opdat het de ziel bespaard blijft om deze hernieuwde aardse gang af te moeten leggen. Opdat ze zich van dat onnoemelijke leed afkeert.
Met barmhartige liefde kijkt de Vader in de hemel naar Zijn mensenkinderen, die een verkeerde weg gaan en de weg naar Hem niet terugvinden. Hij wil hen te hulp komen en nadert hen zonder herkend te worden, maar ze schenken Zijn vermaningen en waarschuwingen geen gehoor. Ze wijzen Zijn boodschappers af, die Zijn vaderliefde hun toestuurt. Ze geloven niet en kunnen daarom ook niet onderwezen worden en het grote gevaar, waarin ze verkeren, kan niet aannemelijk voor hen gemaakt worden.
En daarom zal de aarde op haar grondvesten schudden. De taal van de natuurmachten zal tot stand brengen, wat de taal van de medemensen niet bereikt. De mens moet zich vrezend afvragen, waarvoor hij leeft. Hij moet de nietigheid en de vergankelijkheid van het aardse leven leren beseffen om zijn streven naar andere zaken te leiden dan tot nog toe.
Er moet een geweldige verwoesting plaatsvinden, omdat dit de enige mogelijkheid is om de mensen anders te leren denken. Omdat alles van hen afgenomen moet worden, wat hun hoogste doel in hun aardse leven is en omdat de waarheid van wat hun eerst als het goddelijke woord door medemensen bekendgemaakt werd, hun duidelijk gemaakt moet worden. Ze moeten uit eigen beweging leren geloven. Ze moeten weten, dat hun zielen in grote nood verkeren, als ze niet zelf hun wil actief laten worden en dat ze ondanks het aardse moeten werken aan de veredeling van hun ziel.
Amen