B.D.-Nr. 2535
In een wereld van strijd wordt de liefde gesmoord en dit betekent de geestelijk ondergang van deze wereld. Want waar liefde is, daar zal ook vrede zijn, maar strijdende mensen dragen de vonk van haat in hun borst en haat wil vernietigen en wil de tegenstander talloze wonden toebrengen. Maar omdat elk vernietigingswerk een verwoesten van de goddelijke schepping betekent en dus een misdrijf tegen de wil van de Schepper, kan God zulke vernietigingswerken nooit goedkeuren en zodoende zal de strijd nooit met de goddelijke wil overeenstemmen, tenzij er tegen een openlijke liefdeloosheid gestreden wordt, voor een rechtvaardige zaak, die de wereld tot zegen strekt.
Zodoende moet de liefde voor de naasten de drijfveer van de strijd zijn. De mensen moeten zonder deze strijd buiten hun schuld leed dragen, dat de rechtvaardigheidszin van een verantwoordelijk heerser van hen af wil wenden. Dan is een strijd gerechtvaardigd en van God uit zal deze strijd ter wille van deze lijdende mensen tot de zege geleid worden.
Elke boze daad heeft steeds weer boze daden tot gevolg en zo zal een onrechtvaardig teweeggebrachte strijd talloze boze daden voortbrengen. De liefdeloosheid zal haar hoogtepunt bereiken en de mensheid rijp maken voor de ondergang, want het optreden van de mensheid richt zich niet alleen maar tegen de medemensen, maar ook tegen God, doordat het vernietigt, wat God geschapen heeft.
Elk vernietigingswerk heeft naast de ernstige aardse gevolgen ook onvoorstelbare geestelijke gevolgen, die een effect zullen hebben op de mensheid zelf. Elk vernietigingswerk is in zoverre een ingreep in de goddelijke wil, dat het de goddelijke orde verwoest. Het dus door Gods wijsheid en liefde geschapen werk liefdeloos vernietigt, wat begrijpelijkerwijs een effect op de schuldigen moet hebben. Want God is rechtvaardig en Zijn straf zal ook de schuldigen treffen. En schuldig te noemen zijn die mensen, wier handelen enkel de liefdeloosheid tot uitdrukking brengt. Liefde kan zich nooit handhaven onder mensen, die elkaar over en weer bestrijden en elkaar schade proberen te berokkenen en de ander buiten gevecht proberen te stellen.
Alles is uit de liefde van God voortgekomen en dus was de liefde de goddelijke schepperskracht. Liefdeloosheid moet daarom het verval van dat betekenen, wat de liefde van God schiep. En zo is de liefdeloosheid tegen God gericht. Het is iets wat God nooit goed kan keuren en zodoende kan Hij ook een strijd, die de liefdeloosheid tot de hoogste bloei brengt, niet ondersteunen. God is liefde en wat zonder liefde is, is deel van de tegenstander van God.
Amen