B.D.-Nr. 2481
In het allereerste begin was het wezenlijke vol licht. Het was uit God voortgekomen. Het was volmaakt, dat wil zeggen dat het vol kracht en macht was, omdat het aan gelijk God was. Het had dezelfde wil als God, dus zijn vrije wil was op God gericht. Het was gelijk aan God. Maar omdat het aan God gelijk was, moest het ook in staat zijn om iets soortgelijks te scheppen. Zodoende kwam uit hem weer wezenlijks voort. Er ontstonden wezens op grond van de wil van het volmaakt uit God voortgekomen wezen, echter met gebruikmaking van de naar dit wezenlijke toestromende kracht van God.
En dat het wezen de kracht van God ontvangt, was de reden van het in opstand komen tegen God, want het wezen waande zich zo machtig, dat het geloofde vanuit zichzelf hetzelfde te kunnen scheppen. Dat het dus God als de krachtbron uit wilde schakelen. En dit was aan de ene kant arrogantie en anderzijds een misbruik van de wil, en beiden waren tegen God gericht. Dat het wezenlijke zich nu tegenover God plaatste, kon alleen maar een verzwakking tot gevolg hebben, maar nooit een ontnemen van de hem toegestuurde kracht. Het wezen meende nu zelf in staat te zijn om uit eigen kracht te scheppen. En God liet het scheppen.
Wat oorspronkelijk uit Hem voortgekomen was, kon verder Zijn kracht naar eigen goeddunken gebruiken. De kracht werd hem niet ontnomen, ofschoon de wil van deze schepper zich tegen God keerde. Maar nu ontstond wezenlijks met een al van God afgekeerde wil. Er werden wezens geschapen, die een tegen God gekeerde stroom betekende en die daarom voor kinderen van Satan gehouden moeten worden. Dus als wezens, die de tegen God gekeerde wil geschapen heeft met gebruikmaking van de kracht uit God.
Het eens volmaakte wezenlijke werd van God afvallig en was onderworpen aan een wezen, dat eens lichtdrager was en dat zijn licht nu in duisternis veranderd had. Want zodra het zich van God afscheidde, zodra het zich tegenover God plaatste, was het volledig zonder licht. Het stortte vanuit de hoogste hoogte in de diepste diepte. Het werd van een aan God gelijk wezen een geheel van God vervreemd wezen, dat zich steeds verder van God verwijderde en nu als tegengestelde macht actief was.
Uit dit wezen kwamen talloze wezens voort, die allen van een van God afgekeerde gezindheid waren. En zodoende werd de kracht uit God misbruikt. Ze werd gebruikt om iets te scheppen, dat een tegen God gerichte instelling had en dit geschapene vermeerderde zich, omdat de kracht van het ooit volmaakte wezen onbegrensd was. Zodoende kon het scheppen, zonder dat de hem toegestuurde kracht beknot werd.
Maar de geschapen wezens waren nu producten van degene, die zijn wil actief liet worden, ofschoon de kracht uit God eerst het ontstaan van deze producten mogelijk maakte. Bijgevolg zat ook dezelfde wil in het geschapene, zoals de verwekker die in zich droeg. De wil van het wezenlijke was eveneens vijandig aan God, omdat de verwekker deze wil in de verwekte wezens gelegd had, want de wezens, die hij schiep, kwamen geheel met zijn wil en evenbeeld overeen. Ze waren dus in zekere zin onvrijwillig dat geworden, wat ze waren.
Zodoende moest hun van God uit de vrijheid van de wil gegeven worden, voordat ze voor hun God vijandige instelling ter verantwoording geroepen konden worden. En ze behielden nu het zelfbeschikkingsrecht, op grond waarvan zij volledig vrij konden kiezen voor hun verwekker, uit wiens wil, of voor Degene, uit Wiens kracht ze voortgekomen waren. Deze vrije keuze maakte het wezenlijke pas tot volmaakt wezen, zodra het zich naar God keerde.
Maar de wil van de schepper was al te zeer in dit wezenlijke geworteld en dus koos het wezenlijke uit vrije beweging voor deze schepper. Het maakte zich dus medeschuldig aan de opstand tegen God en nu behoorde het tot de gevallen engelen, die nu ook moesten boeten voor de openlijke opstand tegen God. En zo werd de wil, die God het wezenlijke gegeven had voor de vrije keuze, gebonden, zodat het wezenlijke nu in een bepaalde toestand van moeten zich naar God toekeert om dan op een hogere trede nogmaals de vrije wil te ontvangen, om bewust voor of tegen God te kiezen.
In de laatste belichaming op aarde wordt van het wezen de vrije keus voor of tegen God geëist, omdat het in deze laatste belichaming als mens uitgerust is met alle gaven, die een vrije keuze mogelijk maken. Er wordt hem nu een kennis in overweging gegeven over zowel God alsook Diens tegenstander, zodat het zich volledig ongedwongen tot een ieder kan wenden, al naargelang zijn wil. God eist niets onmogelijks van de mens. Hij eist alleen maar diens wil, die zich geheel en al op Hem moet richten.
Want Hij moet diens wil eisen, omdat het wezenlijke geschapen werd door een zich tegen God verzettende wil en omdat de kracht uit God daarvoor gebruikt werd. Als nu de wil naar God toegekeerd is, dan is het wezen een goddelijk schepsel en kan het voor eeuwig in de nabijheid van God verblijven. Maar zolang de wil God nog weerstaat, is het wezenlijke het product van de tegenstander van God, want de wil is bepalend voor de graad van de goddelijkheid of de afstand tot God. De wil is het eigenlijk wezenlijke en daarom moet de wil naar God streven om het wezenlijke tot een wezen van God te laten worden.
Zodoende moet de wil zich in het aardse leven als mens op God richten. De mens moet de oorsprong van de kracht, die hem geschapen heeft, in God herkennen en naar deze oerbron van de kracht streven. Dan heeft het wezenlijke vrij voor God gekozen en zichzelf in een toestand gebracht, die het wezen zich aan de eeuwige Godheid aan laat passen en daarmee ook een nadering tot God bewerkstelligt, die voor het wezen onnoemelijk gelukkig makend is. Het heeft bewust voor God gekozen en deze vrije keuze maakt het tot Zijn schepsel, tot Zijn kind, dat alle rechten van een kind toegekend wordt. Het eens van God afgevallen geestelijke heeft de weg naar de Vader teruggevonden. Naar Degene waarvan het nu niet meer scheiden kan en dus tot in alle eeuwigheid met Hem verenigd blijft.
Amen