1603 Verstand, rede en vrije wil – Vooroordelen – Verantwoordelijkheid

8 september 1940: Boek 25

Er is een bepaalde geestelijke traagheid, die de mens er aanleiding toe geeft om zich leringen eigen te maken, die hem van de kant van de mens gegeven werden. Wanneer hij zelf begint te denken, zal hij op tegenstrijdigheden stuiten en de ongeloofwaardigheid herkennen van dat, wat hem geboden werd. En daarom is elk mens verantwoordelijk voor zijn eigen denken en handelen.

De gave, zijn verstand te kunnen gebruiken, werd hem door de Schepper gegeven en daarom is het zijn taak na te denken over hetgeen hem aangeboden werd, het te onderzoeken en pas dan zijn standpunt te bepalen. Een gedachteloos aannemen, alleen maar omdat het door de hem bekorende kant voor juist gehouden wordt, is verwerpelijk. Er moet een beroep gedaan worden op zijn eigen beoordelingsvermogen en de mens moet met volle overtuiging aan kunnen nemen of af kunnen wijzen, pas dan gebruikt hij het verstand, dat God hem gegeven heeft.

Het is een ongelooflijk verkeerde gedachte om een opvatting in stand te willen houden, die puur verstandelijk verkregen werd. Alle voors en tegens moeten gewogen worden. De mens moet proberen ook dat aan een onderzoek te onderwerpen, wat tegen de eigen zienswijze in gaat. Hij moet zich zonder tegenstand geestelijk laten leiden, dat wil zeggen dat hij zijn gedachten niet mag tegengaan, als die zich bij de tegenovergestelde mening aansluiten. Hij moet voortdurend naar de waarheid verlangen en eigen gedachten of vooroordelen zo veel mogelijk proberen uit te schakelen, dan zal hem plotseling de waarheid heel duidelijk van boven toegestuurd worden en hij zal deze ook als waarheid herkennen.

De enige voorwaarde is om zich aan God Zelf over te geven en te willen wat God wil, zijn eigen mening op te geven en zich nu door God te laten onderwijzen. En de mens zal werkelijk goed onderwezen worden. Hij zal plotseling niet anders kunnen, dan voor juist en goed houden, wat de geest uit God hem nu geeft. Want God laat de geest spreken in degenen, die Hem ter wille van de waarheid aanroepen. God vermaant en waarschuwt ieder mens op de meest verschillende manieren. Hij verschijnt bij elk mens, vaak zonder herkend te worden, maar Hij wil hem wel steeds helpen. Hij klopt bij iedereen aan en zou Zichzelf graag gehoor bezorgen. Hij zou graag de gedachten van degenen, die van goede wil zijn, goed willen sturen en Hij zou deze wil graag naar de waarheid willen leiden om hun harten met Zijn liefde te kunnen vullen. Want liefde en waarheid zijn één, zoals liefdeloosheid en de leugen één zijn. Het handelen van degenen, die in onwaarheid leven, is liefdeloos, maar degenen die enkel naar de waarheid verlangen, zullen ook in de liefde staan.

In Zijn eindeloze liefde gaf God de mensen verstand, rede en de vrije wil. En de mens moet nu deze gaven benutten. Hij moet zijn verstand gebruiken om ernstig na te denken over de handelswijze van de mensheid. Hij moet, wanneer hij het beseft heeft, zijn handelen en denken in overeenstemming proberen te brengen met zijn overtuiging en hij moet de vrije wil gebruiken en zich scheiden van al het bedrog en zich met de waarheid verbinden.

Amen

Vertaald door: Peter Schelling

Deze openbaring is niet opgenomen in de themaboekjes.

Downloads

Download-aanbod voor boek _book
 ePub  
 Kindle  
  Meer downloads

Deze openbaring

 als MP3 downloaden  
Afdrukvoorbeeld
 Kladschriften

Translations