Confronta annuncio con traduzione

Altre traduzioni:

La Creazione – Riceventi della Forza

Nulla è troppo scarso per l’eterna Divinità da non considerarlo oppure da non fargli affluire la Forza; e nulla potrebbe fare a meno della Forza di Dio. E perciò tutto deve stare in collegamento con la Fonte Primordiale della Forza, con Dio. Deve continuamente svolgersi un deviare ed un condurre della Forza da Dio su tutto ciò che Egli ha creato. Il creato deve ininterrottamente accogliere la divina Forza, perché altrimenti cesserebbe di esistere. Solo sotto questa premessa rimane sussistente ciò che Dio ha creato e soltanto sotto questa premessa è da osservare l’Opera del divino Creatore, se dev’essere riconosciuta come la Sua Opera. Perché il Suo Amore e Sapienza, ha dato a tutto il creato una destinazione ed una meta. Per raggiungere la meta, deve adempiere la sua destinazione e per questo ci vuole una Forza, la Forza di poter eseguire ciò che gli era posto come compito. Nulla è senza compito nell’Opera di Creazione di Dio, di conseguenza tutto deve anche ricevere la Sua Forza e di conseguenza il ricevente della Forza, quindi ogni Creazione, deve stare in collegamento con il Donatore di Forza, affinché possa aver luogo il trasferimento da Dio sul creato. E questo ammette di nuovo la logica che deve aver luogo un continuo scambio di Forza, perché nulla ha la stessa destinazione, ma queste destinazioni assegnate alle Creazioni sono così numerose e differenti, che anche differenti correnti di Forza rendono possibili queste destinazioni e così può risultare un sempre continuo scambio, quindi è spiegabile il sempre continuo divenire e scomparire, in quanto le Creazioni adempiono un’altra destinazione o un’altra attività, solamente, quando hanno cambiato. E perciò la minimissima Creazione non rimane senza apporto di Forza di Dio e questo apporto di Forza ha per conseguenza un generale cambiamento, perché la Forza di Dio non lascia stare nulla inattivo, ma produce un continuo cambiamento. E perciò non deve proprio essere negato un collegamento da Dio come la Forza creativa con la Sua più minuscola Opera di Creazione, altrimenti queste Creazioni non esisterebbero oppure rimarrebbero anche eternamente immutate, se la parte di queste Creazioni fosse un sempre e continuo uguale apporto di Forza, quindi se la Forza necessaria per il sorgere non venisse aumentata in sé. La Forza da Dio deve assolutamente stimolare all’attività, quindi avere l’effetto di risvegliare alla Vita, in modo che l’Opera di Creazione possa scomparire solamente quando Dio le ritira la Sua Forza, perché allora cessa ogni attività, quindi subentra uno stato di morte. Ma non esiste nulla di qualcosa di morto nel Cosmo, nella Creazione divina, perché tutto è ricevente di Forza. Di conseguenza tutto deve cambiare in sé, anche se in una differente durata di tempo. Dio afferra tutto con la Sua Forza, non lascia nulla di intoccato, nulla Gli è troppo scarso; perché tutto ciò che è, è da Lui e non può mai più perdere il collegamento con Lui. Questo lo può accettare soltanto erroneamente e predisporsi in uno stadio di sviluppo rifiutando la Forza, in modo che non gli può affluire nella misura a sua disposizione. Ma viene sempre compenetrato dalla forza vitale che gli affluisce anche senza la sua volontà di ricevere, perché questa forza vitale è la Causa di ogni Creazione, è la Forza di Dio che condiziona ogni esistenza.

Amen

Traduttore
Tradotto da: Ingrid Wunderlich

Schepping – Ontvanger van kracht

Niets is de eeuwige Godheid te min om er aandacht aan te schenken of deze geen kracht toe te laten stromen en niets zou deze kracht uit God kunnen ontberen. En daarom moet alles in verbinding staan met de oerbron van de kracht: met God. Er moet een voortdurend omleiden en toesturen van kracht uit God plaatsvinden, naar alles wat Hij geschapen heeft. Het geschapene moet ononderbroken de goddelijke kracht opnemen, omdat het anders op zou houden te bestaan.

Alleen maar onder deze voorwaarde blijft hetgeen door God geschapen is, bestaan. En alleen maar onder deze voorwaarde kan het werk van de goddelijke Schepper gezien worden, als het als Zijn werk herkend moet worden. Want Zijn liefde en wijsheid gaven al hetgeen geschapen is een taak en een doel. Om dat doel te bereiken, moet het zijn taak vervullen en daartoe behoort een kracht. De kracht om dát uit te kunnen voeren, wat hem als taak gesteld werd. Er bestaat niets in het scheppingswerk van God dat geen taak heeft. Bijgevolg moet ook alles Zijn kracht in ontvangst nemen en bijgevolg moet de ontvanger van kracht, dus elke schepping, met de Schenker van kracht in verbinding staan, zodat de overdracht van God op hetgeen geschapen is, plaats kan vinden.

En hieruit kan weer de conclusie getrokken worden, dat er een onophoudelijke uitwisseling van kracht plaats moet vinden, omdat niets dezelfde taak heeft, maar de aan de scheppingen toegewezen taken zo talrijk en verschillend zijn, dat ook verschillende krachtstromen deze taken mogelijk maken en er zo een altijd durende uitwisseling tot stand komt, zodat het altijd durende worden en vergaan in zoverre verklaarbaar is, dat de scheppingen pas dan een ander doel vervullen of een andere werkzaamheid uitvoeren, als deze zich veranderd hebben.

En daarom blijft niet het minste schepsel zonder de toevoer van kracht uit God en deze krachttoevoer heeft een algemene verandering tot gevolg, omdat de kracht uit God niet inactief laat blijven, maar een voortdurende verandering schept. En daarom mag ook de samenhang van God als de scheppende kracht met Zijn kleinste scheppingswerk niet ontkend worden, omdat deze scheppingen anders of niet aanwezig zouden zijn of ook eeuwig onveranderd zouden blijven, wanneer voortdurend dezelfde toevoer van kracht het deel van deze scheppingen zou zijn, dus de voor het ontstaan benodigde kracht niet in zichzelf toe zou nemen.

De kracht uit God moet in ieder geval tot activiteit aansporen, dus leven opwekkend werkzaam zijn, zodat het scheppingswerk dus pas dan kan vergaan, wanneer God Zijn kracht hiervan terugtrekt, omdat dan elke activiteit ophoudt, dus de toestand van de dood begint. Maar iets doods bestaat er in het heelal, in de goddelijke schepping, niet, omdat alles een ontvanger van kracht is. Bijgevolg moet alles in zich veranderen, al verschillen de tijdsduren hiervan.

God grijpt alles met Zijn kracht. Hij laat niets ontsnappen. Niets is te min voor Hem, want alles wat er is, is uit Hem voortgekomen en kan nooit de verbinding met Hem verliezen. Het kan dit alleen maar per abuis in ontvangst nemen en zich in een ontwikkelingsstadium kracht afwijzend opstellen, zodat deze hem niet in de hem ter beschikking staande mate toe kan stromen. Maar steeds wordt het door levenskracht doorstroomt, die hem ook zonder zijn wil om dit in ontvangst te nemen, toestroomt, want deze levenskracht is de oergrond van de hele schepping. Het is de kracht uit God, die elk bestaan nodig heeft.

Amen

Traduttore
Tradotto da: Peter Schelling