Des Geistes Wirksamkeit wird abgeschwächt, wenn des Menschen Wille nicht stark genug ist, sich den Einflüssen von außen zu widersetzen. Der Geistesfunke im Menschen nimmt wohl den Zustrom aus dem geistigen Reich in Empfang, er vermag aber nicht, der Seele des Menschen die Geistesgaben verständlich zu machen, oder auch, die Seele des Menschen ist nicht fähig, das ihr Gebotene zu vernehmen, weil der Wille nicht ausschließlich der göttlichen Gabe gilt. Und das so lange, bis er die Stärke aufgebracht hat, sich abzuwenden von allem, was dem Körper begehrenswert erscheint. Es ist jede Verbindung mit der geistigen Welt ein Akt völliger Hingabe an diese, also muß das Irdische, das körperliche Verlangen zurückgestellt werden, und wo der Wille dazu nicht aufgebracht werden kann, dort ist ein ungehindertes Wirken des Geistes nicht möglich, ansonsten die Gnade Gottes dem Menschen zuströmen würde wider dessen Willen, der aber gänzlich dem Empfangen dieser Gnade zugewandt sein muß. Der Wille des Menschen allein ist bestimmend, denn er bezeugt den Liebesgrad des Herzens. Die Liebe zu Gott kommt immer im Willen des Menschen zum Ausdruck, und so wird auch der Wille zum Empfangen entsprechend der Liebe des Menschen zu Gott sein. Drängt das Herz Gott entgegen, so ist auch der Wille stark, jedes Hindernis zu überwinden; ist der Wille aber schwach, so ist auch das Verlangen des Herzens nach Gott nicht groß, und also können die Strömungen aus dem geistigen Reich nicht so wirksam werden, daß sie der Seele vermittelt werden können. Inniges Gebet vermehrt wohl die Willensstärke, doch auch diese Innigkeit ist abhängig von der Liebe zu Gott, so daß es also verständlich ist, daß die Empfangsfähigkeit nicht immer die gleiche ist, wenn der Mensch sich nicht in immer gleichem Liebewillen und Liebewirken befindet. Es muß der Mensch ständig geben wollen, denn er wird dann auch ständig empfangen dürfen, denn ersteres bezeugt seine Liebe zu Gott, seinen Ihm zugewandten Willen, der Vorbedingung ist, daß der Geist aus Gott wirken kann. Und je tiefer und inniger die Hingabe ist, desto verständlicher vernimmt die Seele, was der Geist ihr vermitteln möchte, denn sie löset dann jede Bindung mit der irdischen Welt und nimmt die Gaben aus der geistigen Welt entgegen. Geistige Gabe ist kostbares Gut, das nun auch entsprechend begehrt und empfangen werden soll und daher den ungeteilten Willen des Menschen benötigt, um in seinen Besitz übergehen zu können. Je größer der Empfangswille des Menschen ist, desto größer ist auch der Gebewille der geistigen Wesen, die ihm die geistigen Gaben vermitteln können, die aber auch den göttlichen Gesetzen unterworfen sind, also nur wirken können mit vollster Übereinstimmung des Menschen, die in einem starken Willen zum Ausdruck kommt....
Amen
ÜbersetzerDe werkzaamheid van de geest wordt afgezwakt, als de wil van de mens niet sterk genoeg is om zich tegen de invloeden van buiten te verzetten. De geestvonk in de mens neemt wel de aanvoer uit het geestelijke rijk in ontvangst, maar hij is niet in staat om de geestelijke geschenken begrijpelijk te maken voor de ziel. Of ook, de ziel van de mens is er niet toe in staat om hetgeen haar geboden wordt, te horen, omdat de wil niet uitsluitend het goddelijke geschenk betreft. En dit net zo lang, tot hij de kracht opgebracht heeft om zich af te wenden van alles, wat het lichaam begerenswaardig lijkt.
Elke verbinding met de geestelijke wereld is een daad van volledige overgave hieraan. Zodoende moet het aardse, het lichamelijke verlangen opzijgezet worden en waar de wil hiertoe niet opgebracht kan worden, is een ongehinderd werkzaam zijn van de geest niet mogelijk, omdat anders de mens de genade van God tegen diens wil gegeven zou worden. Maar die wil moet geheel op deze genade gericht zijn. Alleen de wil van de mens is bepalend, want deze getuigt van de liefdesgraad van het hart. De liefde voor God komt altijd in de wil van de mens tot uitdrukking en zo zal ook de wil om te ontvangen overeenkomstig de liefde van de mens voor God zijn.
Als het hart een drang naar God heeft, is ook de wil sterk om elke hindernis te overwinnen. Maar als de wil zwak is, is ook het verlangen van het hart naar God niet groot en zodoende kunnen de stromingen uit het geestelijke rijk niet zo actief worden, dat deze aan de ziel gegeven kunnen worden. Een vurig gebed doet wel de sterkte van de wil toenemen, maar ook deze vurigheid is afhankelijk van de liefde voor God, zodat het dus begrijpelijk is, dat de ontvangstbereidheid niet altijd dezelfde is, als de mens zich niet altijd in dezelfde wil tot liefde en werkzaam zijn in liefde bevindt.
De mens moet voortdurend willen geven, want hij zal dan ook voortdurend mogen ontvangen, omdat het eerste getuigt van zijn liefde voor God, zijn naar Hem toegekeerde wil, wat er een voorwaarde voor is, dat de geest uit God werkzaam kan zijn. En hoe dieper en vuriger de overgave is, des te begrijpelijker hoort de ziel, wat de geest haar zou willen geven, want ze maakt dan elke verbinding met de aardse wereld los en neemt de geschenken uit de geestelijke wereld in ontvangst.
Geestelijke geschenken zijn waardevolle goederen, die nu ook overeenkomstig begeerd en verlangd moeten worden en daarom is de onverdeelde wil van de mens nodig om in zijn bezit over te kunnen gaan. Hoe groter de wil om te ontvangen van de mens is, des te groter is ook de wil om te geven van de geestelijke wezens, die hem de geestelijke geschenken kunnen geven, maar die aan de goddelijke wetten onderworpen zijn, dus alleen maar werkzaam kunnen zijn met de volledige instemming van de mens, die in een sterke wil tot uitdrukking komt.
Amen
Übersetzer