Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/8867

8867 De overgrote genade van God is Zijn toespreken

13. Oct 1964: Boek 93

De genade Mij Zelf te horen is zo onmetelijk groot, dat u niet in staat bent het te begrijpen. Ik Zelf, uw God en Vader, buig Me naar u mensen over en spreek tot u. De hoogste Geest van de oneindigheid, de Schepper van al datgene wat bestaat, de Leider van al wat geschiedt, die op aarde regeert evenals in de hemel, die het hele universum heeft geschapen, die spreekt tot u mensen die de van hem afgevallen oergeesten bent. En Hij spreekt tot u om u aanleiding te geven naar Hem terug te keren. Hij geeft u in eeuwigheid niet op, al blijft u nog eeuwigheden op afstand van Hem. Mijn Liefde voor u is grenzeloos en daarom rust ze niet eerder dan dat het werk van het terugvoeren haar is gelukt, dat het laatste geestelijke is verlost, dat ook de verloren zoon is teruggekeerd in het Vaderhuis.

Maar dat u mensen deze verbinding met Mij tot stand zult kunnen brengen, dat is het grootste wonder; dat Ik Zelf Me naar u over buig en tweespraak houd met u, die nog ver van uw voltooiing bent verwijderd. Ik spreek u allen toe en maak u Mijn wil bekend, die alleen daarin bestaat, dat u zult moeten veranderen tot dat wat u was in het allereerste begin. En u allen zult Mij kunnen vernemen, wanneer u luistert naar het opnamevat - de mens die Ik heb uitgekozen om tot u allen te kunnen spreken. Ik verlang van u alleen maar dat u uw harten voor Mij opent, dat niet alleen uw oor de woorden zal horen, maar het hart Mij kan vernemen en dat u er nu ook gehoor aan geeft. Dat u nu Mijn wil vervult en zo leeft dat u verandert. Dat u de eigenliefde in u tot zuivere onzelfzuchtige liefde omvormt en daardoor dichter bij uw volmaaktheid komt.

Het is een buitengewoon geschenk van genade dat Ik ieder van u aanbied. En u zult het eens bitter berouwen wanneer u daar helemaal aan voorbijgaat. Want er blijft u niet veel tijd meer tot aan het einde. En de laatste grote genade niet te hebben benut, zal u ver terugwerpen en uiteindelijk zal de hernieuwde kluistering weer uw lot zijn. En dit wil Ik u besparen. Daarom zult u ook het oor moeten lenen aan diegenen, die u Mijn boodschappen brengen. Die Ik ervoor heb bestemd om u aanmaningen en waarschuwingen te doen toekomen en die van Mij ook het recht hebben, zich Mijn boden te mogen noemen. Die Ik voortdurend onderricht en die hetzelfde bij u moeten doen, opdat ook u van Mijn wil hoort en hem tracht te vervullen. U weet niet in welke nood u zich bevindt, want de wereld kan u niet dat bieden wat uw ziel verlangt. Ze kan u alleen beletten het verlangen van de ziel te stillen. En de ziel is in grote geestelijke nood, want het aardse leven is spoedig voorbij en op de ziel werd geen acht geslagen. Haar toestand in het rijk hierna is daarom armzalig. Ze staat naakt en bloot, arm en behoeftig, aan de ingang tot het hiernamaals en bezit niets aan geestelijke goederen.

En deze grote geestelijke nood wil Ik opheffen. En Ik spreek u allen toe. Maar daar u een vrije wil bezit, kan Ik u er niet toe brengen dat aan te nemen. Maar steeds zult u het feit voor ogen moeten houden, dat u in het bezit bent van een grote genade, wanneer uw God en Vader u Zelf toespreekt, en dat u zich eens zult moeten verantwoorden, of u deze genade hebt benut. Want eens zult u de verandering tot volmaaktheid moeten voltrekken. En bereikt u het niet in dit aardse leven, dan loopt u het gevaar nog eens de gang door de materie te moeten maken. Maar dit is zo verschrikkelijk, dat Ik alle middelen aanwend om u nog tevoren tot deze verandering over te halen, opdat het lot van de hernieuwde kluistering u niet treft wanneer het einde is gekomen.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte