Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/8329

8329 Grote geestelijke nood in de eindtijd

16 november 1962: Boek 88

U zult u niet mogen verwonderen over de verwarde opvattingen van de mensen in de laatste tijd vóór het einde - het doet er niet toe op welk gebied. Overal heerst Mijn tegenstander en hij beïnvloedt het denken van diegenen die niet helemaal vast met MIJ verbonden zijn. Maar de mijnen zullen zich afvragen hoe het mogelijk is dat een zo verkeerd denken onder de mensheid is ingezet, want ze zijn door MIJ Zelf in hun denken geleid en kunnen daarom niet begrijpen in welke denkrichting de mensheid verkeert; omdat ze weinig geloof heeft en haar weg alleen gaat zonder MIJ, en Mijn tegenstander zich derhalve bij hen kan aansluiten. Aards en geestelijk hebben de mensen zich van de waarheid afgekeerd, van natuurlijk(e) gevoelen(s) en van al het goede en mooie. Daarentegen zijn ze de wereld in de meest krasse vorm toegedaan, d.w.z. ze vervormen alles en hebben elk gevoel voor het juiste en goede verloren. En geestelijk bevinden ze zich in diepste duisternis, ze weten. niets over geestelijke samenhangen, over hun GOD en Schepper en de opgave van hun leven op aarde en wensen daar ook niets over te weten te komen. Ze leven in 'n geheel verkeerde wilsrichting en geven daarom Mijn tegenstander onbeperkte macht, die hij gebruikt op de meest kwalijke wijze.

En hulp is zo lang onmogelijk als in hen zelf niet het verlangen opkomt duidelijkheid te verkrijgen in alle zaken. Er moet uit henzelf dit verlangen bovenkomen, vanuit het inzicht dat de wereld en haar goederen vergankelijk zijn en dat hun leven niet alleen doel op zichzelf kan zijn, integendeel middel tot een doel moet zijn. Dit inzicht kunnen ze verkrijgen zodra ze a.h.w. hun levenslust hebben botgevierd, zodra ze aards hebben genoten van wat hun begerenswaardig voorkwam. Er kunnen uren van innerlijke bezinning komen die hun het leven dat ze tot nu toe hebben geleefd onnozel en onzinnig doet voorkomen en dan is het mogelijk dat ze plannen maken om te veranderen, dat ze toegankelijk zijn voor het spreken van de medemensen die op de juiste weg wandelen en hen trachten te overtuigen dat hun weg de juiste is. En mensen zouden erbarming moeten hebben met de geestelijke nood van een medemens en er aan denken door ten gunste van hem te bidden. Want zulke gebeden blijven niet onverhoord. Maar meestal behoudt de tegenstander zijn macht over zulke mensen en de geestelijke nood wordt steeds bedreigender en is ook oorzaak van de verandering van deze aarde. Want zodra het geestelijk dieptepunt is bereikt, is ook een verwoesting van de oude aarde met al haar scheppingen gemotiveerd, een totale verandering van al datgene wat het onrijpe geestelijke bevat met als doel de positieve ontwikkeling.

Steeds zal er vóór het einde van een verlossingsperiode deze op de materie gerichte toestand onder de mensen zijn waarin het geestelijk besef onder de mensen verloren is gegaan, omdat er in deze tijd veel mensen op aarde zijn die nog veel onrijp geestelijks in zich dragen, wier tijd echter is afgelopen die hun werd toegekend om vrij te worden uit de vorm. Deze mensen kunnen rijp worden in de tijd tot aan het einde, maar ze moeten hun weerstand tegen MIJ opgeven, ze moeten hun wil veranderen en op MIJ richten. Maar hun ontbreekt het geloof in MIJ als GOD en Schepper, DIE hun kracht kan en wil doen toekomen. Zonder deze echter zijn ze te zwak. Maar ze worden voortdurend gewezen op de Macht Die hun het leven gaf, zowel door Mijn Woord dat deze mensen ook soms bereikt alsook door dat wat ze meemaken, het eigen lot en dat van hun medemensen. Want IK maak ME aan alle mensen bekend die er maar over nadenken wat het aardse leven hun ten deel laat vallen. Het denken staat de mens volledig vrij, hij wordt wel beïnvloed door Mijn tegenstander of ook door de krachten van het licht, maar niet gedwongen in dezelfde richting te denken als zij. Maar zolang de mens van MIJ uit denkvermogen bezit, moet hij zich ook verantwoorden over hoe hij zijn aardse leven heeft gebruikt, want van MIJ uit wordt er alles aan gedaan om zijn denken te stimuleren.

En daarom is het de mensen ook mogelijk op aarde rijp te worden - dat hun het binnengaan in het Lichtrijk toestaat - die in een nog erg onrijpe toestand deze aarde betreden. Ze mogen geaard zijn hoe ze willen, het is hun niet onmogelijk zichzelf te veranderen en de voltooiing te bereiken, omdat Mijn genade op buitengewone wijze allen toevloeit en ze alleen maar hoeft te worden benut. En zelfs met een zeer zwakke wil houd IK rekening, doordat IK zulke mensen in situaties laat komen waar hun weerstand afneemt en het hun makkelijk zou kunnen vallen zich op MIJ te richten. IK wend elk middel aan dat nog succes belooft, opdat de ziel niet ten prooi valt aan het lot van de hernieuwde kluistering. Maar de laatste vrijheid moet IK aan hen overlaten.

Het is een grote genade wanneer ze voortijdig uit het aardse leven worden weggeroepen, omdat ze dan op aarde niet meer dieper kunnen vallen en in het rijk hierna waarlijk alles wordt geprobeerd om hen voor een verdere val in de diepte te behoeden. Maar dan houden ze zich nog in de nabijheid van de aarde op en ze kunnen ook het lot van veel mensen die met hen nauwe banden hadden in het leven op aarde, op de voet volgen. Ook in de geestelijke wereld kunnen ze nog denken, ofschoon vaak verward, maar er wordt hun steeds weer bijstand verleend van de kant van de lichtwezens die zich onherkenbaar gehuld in hetzelfde gewaad, bij hen voegen en met hen spreken. Alles wordt er geprobeerd de zielen op de weg ten hogen te brengen, steeds zonder dwang van hun wil, maar in liefdevolle zorg, die ook soms wordt herkend en in dank aangenomen. Zodra echter deze verlossingsperiode ten einde loopt, zijn ook de poorten van het geestelijke rijk gesloten, d.w.z. dan is op aarde al de scheiding voltrokken van de bokken en de schapen. Alleen blijven nog die mensen over die MIJ trouw zijn en overgeplaatst worden op de nieuwe aarde. Maar de anderen zijn de aanhang van Mijn tegenstander en ze delen ook het lot van Mijn tegenstander. Ze worden gekluisterd weer voor eindeloos lange tijd.

En daarom moet u de mensen niet beklagen die uit het leven worden weggeroepen, want bij hen is er steeds nog een verbetering te behalen, ze zijn niet helemaal ten prooi gevallen aan Mijn tegenstander, ofschoon ze ook in het rijk hierna nog weg kunnen zinken, terwijl zij die achterblijven wel nog tot het einde de mogelijkheid hebben om te keren en dan ook gered worden van de ondergang, maar deze mogelijkheid weinig benutten en daarom een vreselijk lot tegemoet gaan. En u zult ook het eerdere sterven van uw geliefden als een daad van genade van Mijn kant mogen beschouwen en zodra u hen liefdevolle gedachten en voorspraak doet volgen, hoeft u ook niet meer bang te zijn dat ze verloren gaan.

Deze toezeggingen van Mijn kant moeten u altijd troostvol aandoen en de verklaring geven van alle slagen van het noodlot, ongevallen en katastrofen waarbij zoveel mensen hun leven verliezen. Want IK wil het aantal ongelukkigen die een hernieuwde kluistering ondergaan, verminderen voor zover dit mogelijk is.

Want dit zal erg groot zijn, want Mijn tegenstander is op het einde op zo'n manier bezig dat hij grote aanhang heeft en behoudt. Maar dit ene staat vast, dat zowel op aarde alsook in het geestelijke rijk wordt geworsteld om iedere afzonderlijke ziel, dat er alles aan wordt gedaan om de mensen op de juiste weg te leiden en de zielen van hen die zijn gestorven behulpzaam te zijn. Want alle moeten eens de gelukzaligheid bereiken.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte