Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/8311

8311 Ontketende natuurelementen

27 oktober 1962: Boek 87

Eeuwig zal mijn zorg uitgaan naar u die nog op grote afstand van Mij verblijft en u verzet de weg naar Mij terug te gaan, en Ik zie vol erbarmen neer op de mensheid die geen aanstalten maakt zich naar Mij te keren en het zich afwenden van mijn tegenstander ten uitvoer te brengen. Het einde van deze aarde dat voor al haar bewoners beslissend is voor hun verdere lot, komt steeds dichterbij. Steeds dringender en aanmanender laat Ik mijn stem weerklinken en er komt een grote mate van lijden en nood over de aarde, die waarlijk voldoende zou zijn een verandering van de gevoelens der mensen te bewerkstelligen. Maar de meeste blijven er onberoerd door zolang ze niet zelf zijn getroffen en hun eigenliefde wordt steeds sterker, zodat ze zich schadeloos stellen met de genoegens van de wereld en nauwelijks aan de ongelukkige naasten denken.

En al komen er steeds meer ongelukken en catastrofes, ze vergroten zelf nog de nood en het lijden door eigen machinaties en daardoor brengen ze de mensen erg in het nauw. De zonde krijgt de overhand en het handelen van de enkeling tegenover zijn medemens is onverantwoord.

Ze zijn zo ver van Mij af dat mijn stem hen nauwelijks kan bereiken. En daarom brengen ze Mij ertoe hem luid te laten weerklinken van bovenaf, zodat ook zij nu nog in uiterste nood geraken door de elementen van de natuur, zodat ze de medemensen niet meer verantwoordelijk kunnen stellen voor wat er over hen losbarst, integendeel de uiting van een Macht moeten erkennen aan wie ze zelf niet in staat zijn weerstand te bieden. Ik moet dit laatste zeer krachtige middel toepassen, ofschoon ook zoiets geen dwang om te geloven zal zijn, omdat de mensen voor zichzelf alle andere verklaringen zullen geven dan die ene: dat hun God en Schepper zich wil uiten om door de mensen te worden gehoord.

Het geloof in een God is uitermate gering aanwezig en ook dit geringe geloof zullen veel mensen kwijtraken bij het zien van het vernietigingswerk dat de ontketende natuurelementen tot stand hebben gebracht. En toch pas Ik dit laatste middel nog toe, omdat enkele mensen Mij daardoor zullen vinden, die in uiterste nood de weg naar Mij nemen en een gebed in geest en in waarheid naar Mij opzenden. Op wonderbaarlijke wijze zullen ze redding ondervinden en Mij nu ook niet meer willen opgeven, omdat ze mijn hulp duidelijk hebben ervaren, die echter alleen ten deel kon vallen aan hen die Mij in geest en in waarheid aanriepen.

Talloze mensen zullen hun leven verliezen en de aarde moeten verwisselen voor het rijk hierna, maar hun is steeds nog de mogelijkheid geboden opwaarts te gaan, want nog zijn de poorten van het geestelijke rijk niet gesloten en het is voor veel mensen nog een genade van de aarde te worden weggeroepen. En Ik ken waarlijk de gesteldheid van hun zielen in hoeverre ze nog in staat zijn onderricht te worden in het geestelijke rijk hierna.

Maar de overlevenden staat op aarde nog een tijd van nood te wachten, die ook alleen maar te verdragen zal zijn als zij gebruik maken van de kracht en hulp mijnerzijds. Want er zal een chaos zijn die niet te overzien is, die u mensen alleen niet de baas zult kunnen worden en nu zal blijken dat de mijnen worden geleid door alle nood, omdat mijn hulp aan hen duidelijk zichtbaar zal zijn. En ze zullen nu ook nog hun medemensen troost en kracht kunnen geven doordat ze ook dezen wijzen op Mij, die alleen hun toestand kan verbeteren, maar die ook uit het diepst van het hart wil worden aangeroepen.

Ook dit laatste ingrijpen van mijn kant voor het einde zal een overgrote genade zijn ofschoon de meeste mensen aan mijn liefde zullen twijfelen, ja zelfs openlijk een God loochenen die zo'n ongeluk over de mensen laat komen. Maar het duurt niet lang meer tot het einde. En daarom moet er voordien nog alles worden geprobeerd om mensen te redden van het lot van de hernieuwde kluistering in de scheppingen van de nieuwe aarde, omdat dit lot zo verschrikkelijk is dat u mensen niet in staat bent u dit voor te stellen. En wil Ik u daarvoor behoeden, dan wend Ik dus tevoren nog die middelen aan die enig resultaat beloven, ook wanneer u er aan twijfelt dat ze het werk zijn van een levende God die in zich liefde is.

Het gaat Mij er alleen maar om, dat de mensen in hun nood aan Mij denken, dat ze de weg nemen naar Mij, dat ze in hun hart Mij erkennen en dan ook niet verloren gaan wanneer ze worden weggeroepen van de aarde, want dan is voor hen ook hun klim omhoog in het rijk hierna zeker. En overleven ze het enorme natuurgebeuren, dan zullen ze Mij ook niet meer opgeven. En aan hen allen is nog een tijd van genade verleend tot aan het einde, waarin ze serieus een beslissing kunnen nemen wanneer ze nog besluiteloos zijn.

De tijd loopt ten einde en er staat de mensheid nog veel zwaars te wachten. Maar die in Mij geloven, kunnen ook deze tijd met een gerust hart tegemoet zien, want ze zullen steeds mijn hulp ondervinden en ook deze nood zal voorbijgaan zodra het doel is vervuld. Want spoedig kom Ik zelf en haal de mijnen van deze aarde, wanneer de laatste dag is gekomen, zoals het voorzien is in mijn plan van eeuwigheid.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte