Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/7907

7907 Worden tot "kinderen" Gods - Kindschap Gods

02. Jun. 1961: Boek 82

Eeuwig neem Ik mijn liefde niet meer van u weg en of u uzelf ook verre houdt in vrije wil - eens zult u weer naar Mij terugkeren omdat mijn liefde u niet opgeeft. En Ik zal u ook steeds blijken van mijn liefde geven, Ik zal u begeleiden en voor u zorgen wanneer u als mens over de aarde gaat, omdat Ik ook uw liefde wil winnen die u weer met Mij verbindt zoals in het allereerste begin. Dus nooit mag u aan mijn liefde twijfelen. Uw liefde echter bepaalt de graad van het nader komen tot Mij, van uw liefde alleen hangt het af, of en wanneer de aaneensluiting met Mij plaatsvindt. En uw liefde toont u Mij door de graad van naastenliefde, die u steeds verhogen moet als u volmaakt wilt worden. En hiervoor is weer vereist dat u de eigenliefde volledig aflegt, dat u er naar streeft in de liefde tot de naaste op te gaan, dat u onzelfzuchtig de naaste behulpzaam bent. Dan komt u steeds dichter bij Mij, want met elk werk van liefde trekt u Mij tot u. Met elk werk van liefde klimt u hogerop, u brengt de verbinding tot stand met de eeuwige Liefde. Ik zelf kan nu in u zijn, mijn liefde kan u weer doorstralen zoals vroeger, u bent dan mijn kinderen geworden en zult het nu ook blijven tot in alle eeuwigheid.

En dit is uw bestemming gedurende uw aardse leven, dat u zich tot kinderen vormt, u die eens als "schepselen" van Mij bent uitgegaan. En daar u de weg door de diepte gegaan bent en totaal zonder enige liefde was door uw vroegere afval van Mij, is dit een moeilijke opgave om uzelf weer in vrije wil tot liefde te vormen.

Er is dus een sterke wil voor nodig die moet worden omgezet in daden. De kracht daartoe moet dus steeds weer door liefde worden verworven of door innig gebed van Mij gevraagd worden. Alleen liefdesbetuigingen tegenover Mij zijn dus niet voldoende, maar daden van liefde zijn nodig om tot deze kracht te komen, die dan echter ook een gestadig dichter naar Mij toekomen tot gevolg heeft.

Zodra een mens zelf zijn hart opent in vrije wil om zich door Mij met de kracht van mijn liefde te laten aanstralen, zal ook zijn hart steeds meer tot liefde bereid zijn en de mens zal ook eenmaal zijn doel bereiken: hij zal het kindschap Gods verwerven zodra zijn leven een ononderbroken werken in liefde is in volledige onzelfzuchtigheid.

Maar slechts weinigen bereiken op aarde deze graad van liefde omdat steeds nog het eigen ik op de voorgrond treedt, omdat het grote inspanning vereist dat de mens alle wensen en begeerten opgeeft ter wille van de naaste. Want zijn ziel moet zich gedurende zijn leven op aarde volledig ontdoen van onrijpe aanklevingen en daar is een hoge graad van liefde voor nodig en vaak ook een grote mate van leed, zodat de ziel geheel gelouterd is bij haar heengaan van deze aarde. Dezen zijn dan volgroeid tot ware kinderen van God en hebben de aaneensluiting met Mij al op aarde gevonden. Ze hebben zichzelf in vrije wil gevormd tot kinderen die Ik Mij zelf niet scheppen kon. Wie er echter ernstig naar streeft, wie in diepste deemoed steeds weer om mijn genade vraagt, wie zichzelf al voelt als mijn kind, die zal ook niet verzwakken in zijn streven en zijn doel ook bereiken.

Maar de liefde tot Mij moet hem vervullen, niet het verlangen naar de hoogste gelukzaligheid, en de liefde tot Mij zal dan ook de graad van zijn naastenliefde voortdurend verhogen. Door de naastenliefde echter bewijst hij pas zijn liefde voor Mij. Ik wil echter u allen tot mijn kinderen vormen. En u moet u ook allen als mijn kinderen voelen, daar u anders niet de juiste verhouding tot uw Vader van eeuwigheid tot stand brengt, uit wiens liefde u bent voortgekomen. Alleen mag u niet vergeten dat u op aarde bent om mijn kinderen te worden en dat u zich daarom onophoudelijk moet inspannen. Bent u echter mijn kinderen, dan kan en zal Ik u ook van de aarde wegnemen omdat u dan het doel bereikt hebt waarvoor Ik alles geschapen heb: de hoogste volmaaktheid in vrije wil.

Dit verschil moet Ik u steeds weer voor de geest stellen om u ertoe te brengen de grootste inspanningen te leveren, want zolang u over deze aarde gaat heeft ook mijn tegenstander invloed op u. En zolang mijn tegenstander nog invloed op u kan uitoefenen zal hij het ook weten te verhinderen dat u zich geheel aan de naastenliefde wijdt, want zolang er zich nog onreine geestelijke substanties in u bevinden heeft het lichaam ook nog aardse verlangens, zolang is de eigenliefde niet helemaal overwonnen en moet de mens hiertegen nog steeds strijd voeren. De totale overwinning van al het negatieve verzekert de mens echter ook een hoge graad van liefde en dan kan ook de eenwording met Mij plaatsvinden, want dan trekt de Vader Zijn kind naar zich toe en laat het eeuwig niet meer los.

Amen