Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/7886

7886 Het doordringen in het heelal is niet volgens Gods wil

6 mei 1961: Boek 82

De kracht die van Mij en mijn woord uitgaat zal op uw ziel overgaan, en u zult de vrede vinden in Mij. Als u bereid bent Mij te dienen, zal u ook de kracht toestromen om mijn wil te vervullen die Ik zelf in uw hart leg. U zult denken, willen en handelen volgens mijn wil. En zo kunt u steeds onbezorgd uw weg gaan, mijn zegen zal u begeleiden. Ik zal u bij de hand nemen en u leiden zoals het goed is en tot zegen voor het zielenheil van u en uw medemensen. Vertrouw u maar aan Mij toe en Ik zal uw vertrouwen waarlijk niet beschamen. En of ook uw lichaam de kracht niet duidelijk bespeurt, de ziel echter ontvangt ze in grote mate en is dankbaar voor iedere hulp. De ziel komt tot rijpheid en verenigt zich met haar geest, en deze spoedt zich naar de Vadergeest, en de verbinding met Mij wordt steeds inniger.

En als Ik mijn kind nu kan aanspreken, dan is dat ook een bewijs van mijn tegenwoordigheid en dan moet ook de vrede z'n intrek nemen in zijn hart. Elke zorg moet van hem zijn weggenomen en het kind moet alleen nog luisteren naar wat de Vader hem te zeggen heeft. En er is nog veel wat Ik u zou willen openbaren, want het gaat met rasse schreden het einde tegemoet. En u zult nog dingen beleven zodat u aan Mij en mijn woord zult twijfelen. U zult u afvragen, waarom Ik mijn macht niet aanwend als de mensheid zich aanmatigt in het heelal te willen doordringen. Maar aan hun voornemens zijn grenzen gesteld en lang zullen zij hun pogingen niet kunnen uitvoeren, want ook dit handelen bespoedigt alleen maar het einde, het komende gericht. Ik laat hen begaan, opdat zij steeds weer zullen beseffen dat hun macht nooit zal volstaan om hun voornemens geheel en al tot uitvoering te brengen. Zij hebben zich begeven in de handen van mijn tegenstander die hen steeds door middel van gedachten zal beïnvloeden en die hun ook een zekere kracht bezorgt, die echter altijd een noodlottige uitwerking zal hebben op de mensen en ook op de scheppingswerken die de tegenstander vernietigen wil. Het is de tijd van het einde - die door zo'n handelwijze nog maar weer wordt beklemtoond, want de geestelijke toestand van de mensen haalt zelf het einde naderbij.

Mijn tegenstander wil het geloof in mijn bestaan en mijn macht vernietigen en die mensen zijn reeds aan hem ten prooi gevallen, daar zij ieder geloof verloren hebben en zichzelf beschouwen als heren van de schepping en daarvoor bewijzen proberen te leveren. Maar zij zullen daar niet veel tijd meer voor hebben omdat zij zelf het einde verhaasten, omdat zij zelf de wetten der natuur omvergooien en zelf dus een werk van vernietiging op gang brengen dat de hele wereld aangaat, evenals alles wat geschapen is in, op en boven de aarde. Het handelen van de mensen is gericht tegen God en zal ook overeenkomstige gevolgen hebben. Ik laat het echter toe dat mijn tegenstander raast en woedt, maar de mensen zelf zouden zich daartegen kunnen verweren en hoefden niet ten prooi te vallen aan zijn heerschappij.

De mensen zelf worden waarlijk steeds weer op Mij en mijn macht gewezen en zouden heel goed ook de weg naar Mij kunnen nemen. Maar hun wil is vrij en daarom hinder Ik hen niet in hun activiteiten. Doch mijn macht en mijn wil openbaren zich ook aan hen die verantwoordelijk zijn voor de werken waarmee ze zich verzetten tegen God, die alle mensen kunnen nagaan. Ook aan hen wordt steeds weer getoond dat een goddelijke macht zich altijd weer openbaart, die aan hen hun verkeerde denken bewijst. Want Ik tracht tot aan de dood van het lichaam toe iedere ziel te winnen opdat zij weer terugkeert tot Mij.

Maar Ik dwing haar niet. En omdat ook mijn tegenstander haar niet kan dwingen, werkt hij des te sterker in op alle slechte eigenschappen in de mens, en hij wint ze voor zijn schandelijk spel, omdat de heerszucht en de geldingsdrang ongewoon sterk ontwikkeld zijn bij hen die niet in Mij geloven. Want dit zijn de eigenschappen van de tegenstander. Het is zijn aard die hij op hen overbrengt. Spoedig echter is zijn tijd voorbij en spoedig zal ook mijn macht zich duidelijk openbaren.

Maar nooit zal Ik u zulke uitgesproken bewijzen van Mij zelf geven dat u geloven moet. Dit moet u steeds weer bedenken, dat Ik van u mensen een vrij geloof verlang dat u door de liefde moet wekken. En dan herkent u ook de tekenen van de tijd. Dan begrijpt u dat u in de eindtijd leeft, waarin mijn tegenstander op ongewone wijze werkzaam is, tot het uur gekomen is dat hij met zijn aanhang gekluisterd wordt, zoals het verkondigd is in woord en geschrift.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte