Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/6807

6807 Onvergankelijke wezens - Zichzelf van het leven beroven

16. Apr. 1957: Boek 73

Altijd en eeuwig blijft u bestaan, want wat uit Mij is voortgekomen, kan eeuwig niet meer vergaan.

En daarom kan en zal Ik ook niet vernietigen wat zich tegen Mij verzet, hoewel dit wel voor mijn macht mogelijk is. Integendeel, Ik zal steeds proberen dat weer terug te winnen, wat zich wilde verzetten en zich van Mij afkeerde.

Want mijn liefde voor al het door Mij geschapene verhindert een totale vernietiging, om welke reden ook mijn tegenstander - de eerst geschapen en eerst gevallen geest - nooit een vernietiging hoeft te vrezen, omdat ook hij tot diegenen behoort die weer terug moeten keren in hun vaderhuis. Ik kan wel zijn handelingen afkeuren. Ik kan zijn wezen, als geheel tegen mijn eeuwige ordening gericht, brandmerken en u mensen voor hem waarschuwen.

Ik kan alles doen om u tegen zijn invloed te beschermen, maar Ik onttrek ook hem mijn liefde niet, alleen treft deze straal van liefde hem niet. Dat wil zeggen: deze verliest zijn doeltreffendheid, omdat mijn tegenstander zich verzet tegen de straal van mijn liefde. Maar ook hij kan niet eeuwig in zijn weerstand volharden, ook hij zal eens naar Mij terugkeren en een leven leiden in hoogste gelukzaligheid, ofschoon er nog eeuwigheden voorbijgaan tot aan deze verandering van zijn wil en terugkeer naar Mij.

Maar hij kan niet vergaan.

Al het door Mij geschapene blijft eeuwig bestaan. Daarom is het voor Mij ook onbelangrijk, hoelang het van Mij afgevallene in zijn verzet volhardt. Want Ik ben van eeuwigheid tot eeuwigheid. Voor Mij bestaat er geen tijd en duizend jaar zijn voor Mij als een dag.

Maar voor het wezen is het belangrijk welke perioden het in algeheel onzalige toestand doorbrengt. Een toestand waarin niet van leven en gelukzaligheid kan worden gesproken.

En u mensen zou ontsteld zijn, als u terugblikkend uw ontwikkelingsgang tot dusver zou kunnen overzien en hiervan de eindeloze tijd in zijn volle omvang beseffen. Want u bent noch uit niets voortgekomen, noch zinkt u met uw lichamelijke dood weer weg in het niets.

U blijft bestaan. Alleen in zeer grote weerstand zult u uw zelfbewustzijn kunnen verliezen. En dan zult u weer een eindeloos lange weg moeten afleggen in duisternis en kwelling.

En keert u eindelijk weer terug in het zelfbewustzijn, dan zult u in deze toestand ook nog kunnen falen en als zelfbewust wezen in het hiernamaals nog eeuwigheden moeten worstelen, totdat het lichtrijk u opneemt en u nu opwaarts klimt. Maar u vergaat niet.

En daarom zult u ook niet als mens uw bestaan kunnen uitwissen, wanneer u ook uw lichamelijk omhulsel zelf onbruikbaar maakt voor een verdere gang over de aarde. Wanneer u gelooft zelf u van het leven te kunnen beroven.

Want uw eigenlijke ik blijft bestaan, omdat het geestelijke dat eens uit Mij is voortgekomen, niet kan vergaan. En zo grijpt u alleen in mijn proces van ontwikkeling in, die u vrijheid zou moeten brengen uit een toestand zonder leven en gelukzaligheid.

U handelt tegen mijn wil in. U handelt eigenmachtig en verkeerd. U berooft uzelf van de gelegenheden die in mijn heilsplan voor u werden geschapen.

U houdt in zekere zin de gang van uw ontwikkeling tegen en geraakt tevens in het grootste gevaar weer terug te zinken in de diepte, wanneer u in het hiernamaals niet van gedachten verandert en daar de mogelijkheden benut die mijn liefde u biedt. Dat u altijd en eeuwig blijft bestaan, daar zou u ernstig over na moeten denken. En daarom zou u ook niet lichtvaardig moeten omgaan met uw aardse leven, dat u eens zult herkennen als een ongelofelijk geschenk van genade, omdat het u de definitieve vrijheid kan brengen. Maar het geloof aan een voortbestaan ontbreekt meestal bij de mensen. En daarom gaan ze onverantwoordelijk door het leven op aarde. En ze benutten het grote genadegeschenk niet. En mijn tegenstander die zelf zich het verste van Mij heeft verwijderd, versterkt hen in hun ongeloof, om te verhinderen dat het geestelijke dat hijzelf in de diepte heeft getrokken, het leven in gelukzaligheid bereikt. Maar daarom zal ook voor hem de tijd tot eeuwigheid worden, die hij ver van Mij doorbrengt. En al waant hij zich ook sterk en machtig - de tijd zal komen waarin hij zwak en hulpeloos op de grond ligt, waarin hij voor zichzelf zijn einde zal wensen en toch niet kan vergaan.

En dan pas zal hij de straling van mijn liefde begeren en ze ook ontvangen. Dan pas zal ook hij ontwaken ten leven en terugkeren naar zijn vaderhuis.

Amen