Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/6315

6315 Het afdalen in de hel

18 juli 1955: Boek 68

Toen het uur van de verlossing voor de mensheid sloeg, bevond zich het tevoren gestorven geestelijke - de zielen van de mensen voor de geboorte van Christus - in een tussenrijk, niet op de aarde en niet in het rijk van het licht en van gelukzaligheid. En het wachtte daar het uur van de verlossing af.

Het is voor u mensen alleen dan begrijpelijk, wanneer u weet van de oer-schuld en van de beweegreden van het verlossingswerk. Wanneer u op de hoogte bent van die eindeloos brede kloof tussen het eens afgevallen geestelijke en God.

Het aardse bestaan als mens kon deze kloof niet overbruggen, ofschoon het in goddelijke wil werd afgelegd. Want de oer-schuld, die de mens alleen nooit gedurende een leven op aarde zou hebben kunnen aflossen, was nog niet teniet gedaan. Maar de verlossing door Jezus Christus gold voor al het geestelijke. Het verlossingswerk werd volbracht voor alle mensen van de tegenwoordige tijd, het verleden en de toekomst.

Want de poort naar het lichtrijk werd door de kruisdood van Jezus geopend, zodat nu ook die zielen van het tussenrijk toegang konden krijgen, zodra ze zich uitspraken voor de goddelijke Verlosser Jezus Christus.

Vanaf het begin van het terugbrengen van het geestelijke naar God, was dit heilsplan van Jezus Christus vastgelegd. En vanaf de tijd van de stamvaders werd gewezen op de geboorte van een Verlosser. En door zieners en profeten werd steeds weer Zijn komst aangekondigd.

En de mensen die zich uitspraken voor God, die hun best deden naar Zijn wil te leven, hoorden allen van de Messias die de mensen het heil moest brengen.

Maar niet allen maakten Hem mee, want vele generaties vóór Hem werden weggeroepen van de aarde en hun zielen moesten nu op hun Redder wachten. Daarom daalde Jezus na Zijn dood aan het kruis ook af in de hel.

Hij wilde ook bevrijding uit de keten van de satan brengen aan hen die deze nog gebonden kon houden omdat de zondeschuld nog niet volkomen was uitgewist. Want nooit zou de tegenstander van God deze zielen hebben vrijgelaten, op wie hij recht had omdat ze hem vrijwillig volgden in de diepte. Maar ook in de hel waren vele verstokte zielen die de goddelijke Verlosser nu, zoals allen, ook alleen maar als mens zagen, net als zichzelf, en niet geloofden aan de verlossing door Hem van zonde en dood.

Ook bij hen moest de vrije wil om te beslissen gehandhaafd blijven. En daarom kwam Jezus niet stralend in dat rijk van de geesten, maar als mens Jezus die aan het kruis was gestorven.

Maar velen wisten dat Hij de Messias was die steeds weer was aangekondigd.

En dit geloof in Hem zouden alle zielen hebben kunnen vinden, omdat ze door Gods lichtboden voortdurend kennis verkregen van dat wat zich op aarde afspeelde en omdat ook de God getrouwe vaderen in dat rijk niet nalieten hun het komen van de goddelijke Verlosser in het vooruitzicht te stellen.

Want ze deden dit in opdracht van de Heer, opdat Zijn afdalen in de hel werd verwacht en Hij nu ook talloze zielen redding kon brengen en voor hen ook de poort kon openen naar de gelukzaligheid.

Het afdalen in de hel bracht God de eerste eens gevallen geesten terug, voor welke de mens Jezus ook het losgeld had betaald door de kruisdood. En vanaf toen begon dus pas het eigenlijke terugvoeren. Het eerste door Lucifer geboeide kreeg zijn definitieve vrijheid, ofschoon voor dit geestelijke de weg tevoren al was bereid tot dicht voor de nog gesloten poort. Maar Jezus opende deze nu. En de weg naar het vaderhuis werd vrij voor iedere ziel die hem met Jezus Christus wil gaan.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte