Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/4106

4106 Verdeling van aardse goederen - Voorzorgsmaatregelen niet Gods wil

16 augustus 1947: Boek 50

Zolang u mensen niet dezelfde mening bent toegedaan, bent u ook niet gelijk van geest. Want de stem van de geest zal steeds alleen de waarheid verkondigen. Ze zal zichzelf nooit tegenspreken, zich dus bij alle mensen eensluidend uiten. Wie dus naar de stem van de geest luistert, kan er ook van overtuigd zijn de waarheid te vernemen als antwoord op vragen die hem worden gesteld. Maar Ik onthoud u geen antwoord als u Mij zelf daarom vraagt. Ik geef ze u door mijn geest als deze in u werkzaam kan zijn. Ik geef ze u in de vorm van heldere gedachten als u de stem van de geest niet zelf verneemt, of ook door mijn dienaren op aarde wier onderrichtingen u met een gerust hart zult mogen aannemen als zuivere, onvervalste waarheid.

Wat in de vorm van gedachten tot u komt moet dus overeenstemmen met dat wat mijn boden aan u overbrengen, daar u anders nog niet verlicht bent, u dus mijn antwoord niet hebt verlangd, maar uw gedachten alleen het resultaat van verstandelijk denken zijn. Dit onderscheid zult u moeten maken, dat u heel goed een antwoord zult kunnen bedenken op geestelijke vragen dat geen aanspraak maakt op absolute waarheid als Ik daarbij word uitgeschakeld in zoverre dat u niet eerst mijn oordeel hebt gevraagd voordat u zich een eigen mening vormde. En daarom zullen er bij de mensen steeds verschillende meningen zijn aan te treffen en nu rijst de vraag: wie is door mijn geest verlicht? Welk resultaat is zuivere waarheid? En in twijfelgevallen is er weer dit ene antwoord: leg Mij de vragen voor en Ik wil ze u beantwoorden opdat het u duidelijk wordt.

Ik deel onbeperkt mijn gaven uit, maar steeds eraan denkend hoe ze door de ontvanger worden gebruikt. Ik kan geven, Ik kan onthouden. Het eerstgenoemde daar waar mijn wil in overeenstemming met de gave wordt benut, het laatstgenoemde daar waar men mijn liefde en mijn werkzaam zijn niet onderkent en daarom ook mijn gave niet waardeert. Ik kan weinig uitdelen, maar ook veel. En beide hangen weer af van de ontvanger en zijn onvoorwaardelijk geloof in Mij. Dus zal een gelovig mens voortdurend van Mij mogen ontvangen en geen nood hoeven te lijden, want Ik zelf geef nooit alles weg, heb dus steeds gaven gereed die Ik kan uitdelen, ook wanneer dit aards onmogelijk schijnt. Want Ik ben toch de Heer van elke schepping en het staat Mij vrij ook de vruchten van mijn scheppingen te verdelen naar mijn goeddunken. En de één kan ontvangen, terwijl de ander met lege handen weggaat, en dit zowel ten tijde van aardse noodtoestanden als ook aardse welstand, want de verdeling van aardse goederen berust alleen bij Mij. En daarom hoeft een gelovig mens geen voorzorgsmaatregelen te treffen, omdat het alleen mijn zorg is waar een mens over zal beschikken.

En als u de uiteenlopende verdeling van aardse goederen bij uw medemensen in ogenschouw neemt, zult u zelf moeten toegeven dat die niet alleen van de mensen afhangt maar in zeker opzicht door het lot wordt bepaald, dat de mens het niet altijd zelf in de hand heeft zich naar wens zijn levensomstandigheden te verschaffen. En uiteindelijk zult u, als u gelovig bent, deze verdeling moeten beschouwen als van Mij uitgaand, dat Ik de mensen zowel goede als ook slechte leefomstandigheden bereid, al naar gelang de noodzaak voor het rijp worden van de ziel. Op dezelfde manier is dus de verzorging van het lichaam mijn werk en gebeurt dit in overeenstemming met de sterkte van het geloof. En de zwakgelovige mens zal niet zo rotsvast op mijn hulp bouwen en daarom ook benepen zorgen voor zijn lichaam, terwijl hij Mij alleen maar vol vertrouwen zou hoeven te vragen om van elke bezorgdheid om zijn lichamelijk welzijn vrij te zijn.

Een voorzorg voor op lange termijn stemt niet overeen met mijn wil, want mijn doel is u te vormen tot zeer grote geloofskracht. En zelden zult u mensen beseffen dat Ik u ter zijde sta, dat Ik voor u zorg en in al uw behoeften voorzie, vaak op een manier die helemaal buiten het kader van het vanzelfsprekende om gaat om juist daardoor uw geloof te versterken en het zo sterk te maken dat er geen twijfel aan de vervulling van elke vraag meer is en dat de mens geen enkele zorg hoeft te hebben over de instandhouding van zijn lichaam zolang hij op aarde leeft. Deze geloofskracht garandeert ook totale verzorging, wel in overeenstemming met de geestelijke toestand van de gemeenschap, echter ook aangepast aan de behoeften van de enkeling. Ik weet waarlijk wat de mensen nodig hebben. En om de mijnen, dat wil zeggen diegenen die in vrije wil op Mij aansturen en Mij als hun Vader van eeuwigheid erkennen, bekommer Ik Me in het bijzonder en Ik zal het verhoeden dat hun geloof beschaamd wordt. En daarom ontneem Ik de mensen vaak wat ze hebben vergaard met de bedoeling zich daar later mee te verzorgen, daar ze er anders lange tijd voor nodig hebben zich tegenover Mij in diep geloof en vol vertrouwen van alles te ontdoen en mijn hulp af te smeken en te verwachten. Want Ik wil door de mensen onderkend worden. Ik wil voor hen een zorgzame Vader zijn en mijn kinderen moeten Mij elke aangelegenheid kenbaar maken, zich aan Mij toevertrouwen en gelovig op mijn hulp wachten. En ze zullen nooit ofte nimmer nood lijden, want Ik heb hun de belofte gegeven: "Zoek eerst het rijk Gods en al het andere zal u ten deel vallen".

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte