Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/3255

3255 Een nieuwe ontwikkelingsgang - Het verbannen van het geestelijke

15 september 1944: Boek 42

De gang van de ontwikkeling van het geestelijke wordt afgebroken door de goddelijke wil.

Wat oneindige tijden lang in voortdurende positieve ontwikkeling was en nu aan het einde faalt, dat wil zeggen stilstaat of achteruitgaat in de ontwikkeling, dat wordt verhinderd verder achteruit te gaan en weer opnieuw gekluisterd. Want een teruggang of stilstand van ontwikkeling kan alleen in de toestand van de vrije wil plaatsvinden, terwijl de gebonden wil steeds een positieve ontwikkeling betekent. Weliswaar in de toestand van moeten, echter ook in verstrekkende mate aangepast aan de wil van het wezenlijke, die voor God te allen tijde zichtbaar is. Het binden van de vrije wil eist nu weer nieuwe uiterlijke vormen die in overeenstemming zijn met de hardheid van de weerspannige wil en nu weer het geestelijke in zich moeten bergen dat opnieuw begint met de ontwikkelingsgang. Er kan in Gods eeuwige ordening en wetmatigheid alleen een positieve ontwikkeling zijn waar Zijn wil werkzaam is. En alleen de vrije wil van de mens kan deze ordening omvergooien. Tot op zekere hoogte grijpt God niet in de vrije wil van de mens in. Hij laat hem de volledige vrijheid, hoe hij de laatste belichaming op aarde benut voor zijn geestelijke ontwikkeling. Bestaat echter het gevaar dat elke positieve ontwikkeling wordt tegengegaan, zodat ook het geestelijke dat op God aanstuurt in de toestand zonder licht wordt meegesleurd, dan stelt de goddelijke wil hier paal en perk aan doordat Hij het geestelijke dat in strijd met Zijn wil handelt, van zijn vrije wil berooft, doordat Hij het weer kluistert in de meest vaste vorm om het elke mogelijkheid te geven voor de verandering van zijn weerspannige wil. Deze verandering moet onherroepelijk eens plaatsvinden, al gaan daar ook eeuwigheden overheen. Want elke beslissing moet in vrije wil plaatsvinden. En de vrije wil stelt steeds een stadium van vrijheid voorop, waarin het geestelijke zich weer als mens kan belichamen. Voor het wezenlijke dat deze vrije wil steeds weer op de verkeerde manier actief laat worden, verlopen er eeuwigheden. En daarom moeten het steeds zwaardere en moeilijkere taken worden opgelegd, opdat het eindelijk zijn weerstand tegen God zal opgeven en zich in de toestand van de vrije wil op Hem zal richten.

Begrijpelijkerwijs zal daarom steeds aan het einde van een ontwikkelingsperiode een buitengewoon sterk woeden van het van God afgekeerde geestelijke beginnen, omdat het merkt dat het spoedig van zijn macht is beroofd en omdat het nu probeert ook het lichtvolle in zijn macht te krijgen, omdat het meent daardoor de macht van God te verkleinen. En deze strijd met het licht neemt kort voor het einde zulke vormen aan, dat alleen een gewelddadige ingreep van God het lichtvolle beschermt. Want de macht van de tegenstander is door de vrijwillige ondersteuning van de mensheid ontzettend sterk geworden en dit betekent steeds het einde.

Want God ontneemt hem de macht, zodra de strijd tegen het licht onverholen aan het licht komt, zodra de mensen die streven naar het licht, gedwongen zullen worden zich naar de duisternis te keren. Dan is de strijd van de satan gericht tegen God zelf en dan vindt hij in Hem zijn Meester.

Het kluisteren in de vorm berooft al het duistere geestelijke van elke kracht en macht. Het kan nu in geen enkel scheppingswerk naar eigen wil werkzaam zijn. Integendeel, het moet nu volgens Gods wil actief zijn. Het moet dienen in de toestand van moeten en daardoor de gang van de positieve ontwikkeling afleggen. Het moet in eindeloos lange tijd weer de toestand van rijpheid bereiken, die het de laatste belichaming oplevert op aarde: als mens, met gebruikmaking van de vrije wil. Zolang alleen de goddelijke wil bepalend is, is er geen achteruitgang. En dus moet het wezenlijke rijpen zolang het in de gebonden wil is, ofschoon ook de sterkte van de zich verzettende wil de uiterlijke vorm en bijgevolg ook de mate van de kwellingen van het gebonden zijn bepaalt. Pas wanneer God Zijn wil van het wezenlijke terugtrekt - in zoverre dat Hij het de vrijheid van zijn wil geeft en het dus over zichzelf kan beslissen - is er het gevaar dat de positieve ontwikkeling een stilstand of een achteruitgang doormaakt, en dit weer tot de grenzen die God heeft gesteld.

Dan breekt Hij voor het wezenlijke de gang van de ontwikkeling af en moet dit nu opnieuw beginnen in een nieuwe aardperiode die weer voor zijn definitieve verlossing is bestemd, als die in het laatste stadium juist wordt gebruikt. Want alleen het volmaakte kan vrij worden van zijn uiterlijke vorm. En alleen door een juist gebruik van zijn wilsvrijheid kan het geestelijke in de mens volmaakt worden.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte