Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2789
2789 Materie – Verandering – Opwaartse ontwikkeling – Dienen
27 juni 1943: Boek 37
Het onophoudelijke veranderingsproces is in alle scheppingen waar te nemen en moet dus volgens de goddelijke wil geschieden, omdat geen ander wezen zijn wil in de scheppingswerken tot uitvoering kan brengen. Het is de wil van God, dat het geestelijke, dat in de scheppingswerken gebonden is, verandert. En deze verandering kan alleen maar geschieden, als ook de uiterlijke vorm een verandering doormaakt en deze uiterlijke verandering is dus het eigenlijke leven van het geestelijke. Ze is in zekere zin het zichtbare teken van een opwaartse ontwikkeling van het zich daarin aanwezige geestelijke, want zolang dit geestelijke in zijn verzet tegen God volhardt, blijft ook de uiterlijke vorm bijna onveranderlijk bestaan.
Daaruit valt af te leiden dat alle vaste materie, die gedurende lange tijd in haar soort en hoedanigheid blijft, zich tegen God verzettend geestelijks in zich bevat en dat deze materie niet door de mensen nagestreefd zou moeten worden, wanneer deze niet voor een dienend doel nodig is. Als de materie ervoor gebruikt wordt om dingen te vormen, die nuttig voor de mensen zijn, dan draagt de mens zelf aan de omvorming van zulke uiterlijke vormen bij. Maar als een uiterlijke vorm blijft bestaan en als ze ter wille van deze uiterlijke vorm door de mens begeerd wordt, dan verkeert de mens in het gevaar door de materie beheerst te worden en dit is nadelig voor de ziel
Er bestaan talloze dingen, die tot de zogenaamde dode materie gerekend zouden kunnen worden en die door de mens begeerd worden, zonder dat ze een dienend doel vervullen. Dit zijn siervoorwerpen van allerlei soort, die enkel en alleen vreugde aan aards bezit veroorzaken, zonder een doel te vervullen. Ze zijn alleen maar een lokmiddel van de wereld, zolang ze de vervulling van hun eigen begeerten dienen en niet in dienende naastenliefde hun doel vervullen. Het in deze materie gebonden geestelijks ketent het denken van de mens aan zich vast en dit betekent voor de laatste een geestelijke achteruitgang, omdat hij iets verlangt, wat hij lang geleden overwonnen had en het geestelijke in de materie vindt door de begeerte van de mens ondersteuning, doordat deze het bezit van dat nastreeft, wat hij begeert en hij het geestelijke in de vorm gelegenheid geeft om lang in de vorm te blijven. Maar wat in zijn uiterlijke vorm niet verandert, ontwikkelt zich niet verder opwaarts.
Dergelijke vaste materie als bezit te begeren is van het uiterste nadeel voor de ziel van de mens, want het maakt zich hierdoor tot slaaf van de materie. Ze overwint hem, in plaats van dat de mens de materie overwint. Voorwerpen, die door menselijke handen geschapen werden, maar die geen dienend doel opgelegd zijn, zijn er eveneens geschikt voor om de menselijke begeerte op te wekken en blijven nu voor lange tijd in hun vorm en het geestelijke daarin blijft voor net zo lange tijd gebonden. Het kan zich niet opwaarts ontwikkelen, omdat het in het dienen gehinderd wordt, omdat hem weliswaar de wil daartoe ontbreekt, maar de mens dit geestelijke ook niet helpt, doordat hij de vaste materie zorgzaam tegen elke verandering beschermt en zo de dwang van het geestelijke verlengt door zijn liefde voor de dode materie.
Net zo zijn ook de gebruiksvoorwerpen, wier eigenlijke bestemming een dienende is, maar die weer niet voor hun eigenlijke doel gebruikt worden uit liefde voor de materie. Voor het daarin aanwezige geestelijke is het een kwellende keten, net zo lang als de mens in zijn liefde voor zulke dingen blijft, als niet door de goddelijke wil de uiterlijke vorm veranderd wordt. Dat wil zeggen als zulke voorwerpen tegen de menselijke wil in door velerlei oorzaken verwoest worden. Dan is het geestelijke in de vorm van zins tot dienen en de uiterlijke keten zal ondanks menselijke liefde voor haar losser gemaakt of verwoest worden.
Een verandering van de uiterlijke vorm, dus elk scheppingswerk, moet geschieden, als deze werken hun doel moeten vervullen. Het geestelijke in elk scheppingswerk moet door dienen rijpen en dan weer vrijgegeven worden voor de volgende stap in zijn ontwikkeling. De liefde van de mens voor de materie verlengt de dwangtoestand van het geestelijke daarin. Het hardnekkige geestelijke, dat in zijn verzet tegen God niet verzwakt, beïnvloedt nu ook het denken van de mens om zich met hem te verbinden. Het drijft tot materialisme aan en richt grote vernielingen van de ziel onder de mensheid aan.
Toch voelt dit geestelijke de dwang, die de uiterlijke vorm hem bezorgt en het probeert hem wederrechtelijk te ontvluchten. Het probeert het menselijke denken te verwarren, dat wil zeggen de aan God vijandige krachten te gebruiken om door de zwakheid van de mensen voor de dode materie hen tot liefdeloosheid tegen elkaar op te zetten om zich wederrechtelijk de materie van de medemensen toe te eigenen en dit zo nodig door geweld te bereiken, hetgeen ook een verwoestend effect op de materie kan hebben.
Het geestelijke gelooft in zijn onwetendheid dan vrij te zijn, als zijn uiterlijke vorm door de liefdeloosheid van de mensen verwoest wordt. Een gewelddadig verwoesten betekent dus nooit een geestelijke vooruitgang, maar een wederrechtelijk onderbroken ontwikkelingsgang, want het vrijkomen uit een vorm hangt er alleen maar vanaf of deze vorm een dienend doel vervuld heeft. En evenzo moet het verwoesten van een uiterlijke vorm de wil als oorzaak hebben, waaruit iets nieuws vervaardigd wordt, dat weer een dienend doel vervult. Dan is de verandering van de uiterlijke vorm door God gewild en betekent het voor het geestelijke daarin de weg omhoog.
Amen
Vertaald door Peter Schelling