Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2774
2774 Teruggang in ontwikkeling – Geestelijk en aards verval
14 juni 1943: Boek 34/35/36
Dat de mensheid in haar ontwikkeling achteruitgegaan is, komt hieruit voort, dat ze geen aanstoot neemt aan de omvang van haar liefdeloosheid, die de huidige tijd kenmerkt. Ze slaat hier hoegenaamd geen acht op, want zolang de mensen zelf niet getroffen worden, nemen ze hier maar vluchtig kennis van, maar ze nemen hier nooit duidelijk stelling over. En dit getuigt niet van liefde voor de medemensen. Integendeel is dit een bewijs voor de achteruitgang in ontwikkeling, die geen ander bewijs nodig heeft. Op aarde moet de liefde nagestreefd worden en juist het tegendeel is het geval. De mensen overtreffen elkaar in wreedheden, die spoedig niet meer overtroffen kunnen worden. En als deze toestand zich niet over de gehele mensheid uit mag strekken, dan moet God er Zelf een stokje voor steken, voordat alles door de liefdeloosheid verwoest wordt. En dit tijdperk, waarin het oude omvergeworpen zal worden, zal spoedig komen.
De aardse verwoestingen, dat wil zeggen de door de menselijke wil veroorzaakte verwoestingen, geven getuigenis van de ontgeestelijkte gesteldheid van de mensen en het is moeilijk te geloven, dat deze mensen zich nog zouden kunnen bekeren, want ze zijn al te diep in de netten van de tegenstander geraakt. Enkel een diep gebed tot God doet deze zielen de benodigde kracht toekomen en ze kunnen zich bij goede wil nog op het laatste moment vrij maken.
En in deze nood stuurt God tot versterking van de zielen zijn boodschappers uit, die de mensen het woord van God geven. Hen steeds weer tot liefde manen en hen de gevolgen van de juiste alsook van de verkeerde levenswandel voor ogen houden. Zodra ze nog niet geheel ten prooi gevallen zijn aan de tegenstander zullen ze aandacht aan dit woord schenken, dat hun ook via de gedachten gegeven kan worden. Ze zullen de liefdeloosheid van de medemensen leren verafschuwen. Ze zullen hun best doen om van hun kant de liefde te beoefenen en ze zullen daardoor ook tot wetende schepselen opgeleid worden. Want God heeft dienaren op aarde nodig en de schare van Zijn strijders is werkelijk niet groot.
En toch laat God de verwoestingen van de kant van de mensen toe. Hij laat het toe, dat ze onnoemelijk moeten lijden. Dat elk bezit van hen vernietigd of afgenomen wordt, omdat deze vernietigingen een onnoemelijke uitwerking zullen hebben en betere opvoedingsmiddelen zijn, dan het goddelijke woord, als dat niet met een tot liefde bereid hart geaccepteerd wordt. Want de mens schenkt aandacht aan zulke verwoestingen, maar niet altijd aan het goddelijke woord. Want God kan zelfs de liefdeloosheid van de mensen nog als een opvoedingsmiddel werkzaam laten zijn, opdat ze het optreden van de medemensen verafschuwen en zelf hun best doen om anders te leven en dit is al een stap naar verbetering.
Slechts één ding kan de mensen nog redden van het geestelijke verval en dat is dat ze zichzelf herkennen in de spiegel van de grote onrechtvaardigheid van de mensheid. Dat ze ernstig een verandering nastreven en hun gedachten op hun eigenlijke levensdoel en op hun einde richten. Dat ze aan het leven na de dood denken en zich aan hun Schepper overgeven in het besef van hun eigen zwakheid.
Dan zal God Zich ontfermen en hen door de verwarring van de tijd leiden. Hij zal hun elke hulp schenken en hen er bekwaam voor maken om Zijn woord op te kunnen nemen, dat hun in die laatste tijd steeds weer aangeboden wordt, opdat ze tot inzicht komen. Want er is nog maar een korte genadetijd, die benut moet worden. Maar slechts weinigen zullen de weg naar God vinden, want de liefdeloosheid heeft de overhand genomen en dit is het zekerste teken van het einde: het geestelijke en aardse verval.
Amen
Vertaald door Peter Schelling