Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2770

2770 Het verband tussen God en Zijn schepselen en scheppingen

10 juni 1943: Boek 34/35/36

De geest, die van eeuwigheid af bestaat, neemt deel aan het kleinste gebeuren in het gehele universum. Hij is eindeloos groot en toch staat het kleinste dicht bij Hem. Hij is onvoorstelbaar in Zijn liefde en goedheid, in Zijn kracht en macht. Hij is volmaakt en die volmaaktheid buigt zich naar het kleinste over, omdat het anders een gebrek aan liefde zou zijn en elk gebrek bewijst onvolmaaktheid. Want ook het nietigste is Zijn schepping. Ook het nietigste is uit Zijn eeuwige liefdeskracht tevoorschijn gekomen en blijft ook eeuwig in Zijn liefde.

En het is deze enorme grote liefde van Hem, die geen scheiding toelaat, als dit door het door Hem geschapene zelf nagestreefd wordt. Hij laat dit geschapene, schijnbaar geïsoleerd in de schepping staand, de kracht- en machteloosheid beseffen van wat de scheiding van God tot gevolg heeft, zodat het nu vanuit zichzelf weer bij God probeert aan te sluiten. Nochtans blijft de verbinding met God eeuwig en altijd bestaan. Dat wordt enkel niet beseft door de wezens die zich willen scheiden.

En dit is al een teken dat de mens, dus het wezen in de staat van de vrije wil, vanuit zichzelf geen verbinding met God meer heeft. En dit is een staat van volledige onwetendheid. Een staat van onvolmaaktheid, want hoe volmaakter de mens is, des te meer voelt hij zich met God verbonden. Hij twijfelt niet aan zijn toebehoren aan God, omdat hij ook het inzicht heeft. En zodra hij voelt dat hij God toebehoort, is voor hem ook het verband van elk scheppingswerk met God begrijpelijk, want hij ziet alles als vorm geworden wil van God, Die niet willekeurig iets liet ontstaan, maar in volle wijsheid weloverwogen geschapen en gevormd heeft en het geschapene een doel en een bestemming gaf.

Bijgevolg zal Hij Zijn scheppingen en schepselen voortdurend verzorgen. Hij zal de nietigste scheppingen, die in het heelal rondzwerven, verzamelen en hen weer verenigd naar hun laatste bestemming leiden. Hij zal niet het nietigste schepsel onopgemerkt laten, omdat Hij anders niet volmaakt genoemd zou kunnen worden. Omdat Hij anders niet in de liefde zou zijn.

Maar mensen die ver van God verwijderd zijn, erkennen noch de liefde en wijsheid van God, noch Zijn volmaaktheid, omdat zoiets met een wezen in verband gebracht zou moeten worden en het hen aan het geloof in een hoogst volmaakt Wezen ontbreekt. Ze wanen zich ver van God verwijderd. Ze betwisten elke verbinding en ze proberen nu alles ook met hun opvattingen te verklaren.

En bijgevolg zullen ze als ver van God verwijderde mensen ook ver van de kennis, het inzicht, verwijderd zijn, want God en de waarheid zijn één en de mens kan alleen maar tot het inzicht geleid worden, als hem de zuivere waarheid gegeven wordt. Hij kent dus niet het doel en de bestemming van dat, wat in de schepping aanwezig is en bijgevolg ziet hij alles als volledig geïsoleerd staand, dat aan geen hogere wil onderworpen is. Hij herkent dus niet de verbinding van de Schepper met de geschapen werken.

En zodoende ontbreekt het hem ook aan elk geloof in een wezenlijke schepperskracht, want aan een Wezen, aan Wie de wil en wijsheid toegewezen wordt, zou ook een weldoordachte, met een doel overeenkomende schepping toegekend moeten worden, hetgeen echter ook een voortdurend contact van het geschapene met zijn Schepper vereist. Want zelfs de scheppende, actieve mens zal zijn scheppingen net zo lang proberen te verbeteren, tot ze volstaan voor het doel, dat hun toebedacht is. En zolang kan ook de Schepper zich niet van het geschapene isoleren.

Alle zichtbare scheppingen in het universum zijn omhulsels van onvolmaakte wezens, die van God afdreven, en hun afzonderlijke substanties werden in de materie gebonden. In de vaste vorm en nu moeten ze de aardse weg afleggen om tot bevrijding uit deze vorm te komen. Dat wil zeggen weer naar God te streven, naar Degene, waarvan ze geloofden zich te kunnen verwijderen. En God verzorgt elk van deze gebonden wezens met eindeloze zorg op deze eindeloos lange levensweg op aarde. Voor Hem is niets te klein en te gering om gegrepen te worden door Zijn liefde.

En des te meer bekommert Hij Zich om elk mens. Hij stuurt het lot van elk individu. Zijn wil gaat aan elke gebeurtenis vooraf en zonder Zijn wil of Zijn toelating kan er niets gebeuren. Zonder Zijn wil of zonder Zijn toelating kan niets vergaan of verloren gaan, zolang zijn ontwikkelingsgang nog niet beëindigd is.

Amen

Vertaald door Peter Schelling