Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2759
2759 Innerlijke beschouwing en zelfkennis
29 mei 1943: Boek 34/35/36
De mens beschouwt zijn innerlijke leven te weinig, omdat hij anders zichzelf en zijn gebreken beter zou beseffen en zou proberen deze uit de weg te ruimen. Het werk aan zijn ziel begint pas dan, wanneer hij zijn tekortkomingen inziet. Wanneer hij dus bewust naar de vervolmaking streeft. Wanneer hij probeert zichzelf te veredelen in het besef van zijn fouten en zwakheden. En dit stelt hij pas vast, als hij zich innerlijk verdiept, dus zijn leven, zijn handelen en denken aan serieuze kritiek onderwerpt.
Als hij nu een kind van de wereld is, schenkt hij alleen maar aandacht aan uiterlijkheden. Hij ziet alleen maar zijn lichamelijke gesteldheid, maar niet die van de ziel en zijn gehele denken en willen betreffen enkel het lichaam en zijn behoeften, want de wereld confronteert de mens steeds weer met haar eisen, die hij ijverig vervult. En zijn innerlijke leven verdwijnt geheel naar de achtergrond. Hij zal er weinig of geheel niet over nadenken, hoe zijn verhouding tot de medemensen is. Hoe zijn instelling ten opzichte van God is en hoe hij zich staande zal houden, als hij rekenschap af moet leggen voor zijn denken en handelen. En daarom zal hij ook niet aan zichzelf werken.
Ook het herkennen van zichzelf hoort bij de bewuste zielenarbeid. De mens moet meedogenloos kritiek hebben op zichzelf. Hij mag geen fouten en zwakten niet willen zien. Hij moet de vaste wil hebben om zich positief te ontwikkelen. Hij mag niet tevreden zijn met zichzelf, maar hij moet voortdurend naar volmaaktheid streven. En om dat alles te willen, moet hij van zijn onwaardigheid, van zijn ontoereikendheid overtuigd zijn, wat echter pas het gevolg is van de innerlijke zelfbeschouwing.
De mens is meestal eerlijk tegenover zichzelf, als hij zichzelf tenminste aan een onderzoek onderwerpt. En dit innerlijke, niet-beïnvloede denken brengt pas een helder oordeel over zichzelf tot stand en hieruit volgt dan ook het werk aan zichzelf, want geen mens is zonder fouten. Hoe meer de mens zich terugtrekt in zichzelf om een dialoog met zichzelf, met zijn ondeugden en begeerten aan te gaan, des te eerder zegt hij deze de strijd aan, omdat de innerlijke stem hem waarschuwt en vermaant, als hij maar de wil heeft om deze innerlijke stem in zichzelf te laten klinken. Dan zal deze hem op al zijn huidige fouten opmerkzaam maken. Ze zal hem tot bewuste zielenarbeid aansporen. Ze zal hem steeds weer tot zelfbeschouwing aansporen en hij zal deemoedig worden, omdat hij zichzelf en zijn zwakheden beseft en elke verwaandheid opgeeft.
En door zulke zelfbeschouwingen zal hij innerlijk rijp worden. Hij zal de zwakten van de medemensen leren begrijpen, omdat hij deze in zichzelf aantreft en hij zal om kracht vragen voor zijn hervorming, die hij heel goed als noodzakelijk erkent en daarom ook serieus aanpakt. De innerlijke beschouwingen hebben een heel grote veredelende waarde, omdat de mens pas nu leert beseffen en bewust aan zichzelf werkt.
Amen
BD2760
Het doel van de goddelijke geboden – Eeuwige gelukzaligheid
Het voldoen aan de goddelijke geboden is de eerste voorwaarde voor een God welgevallige levenswandel. Maar de goddelijke geboden eisen alleen maar de liefde van de mensen. De levenswandel van de mens moet dus een voortdurend werkzaam zijn in liefde zijn. Het uiteindelijke doel van het aardse leven is om aan God gelijk te worden, Die de liefde in Zichzelf is. En omdat de mens zonder kennis is als hij zijn aardse leven begint, worden de goddelijke geboden, die een voortdurende werkzaamheid in liefde eisen, tot richtsnoer voor zijn gang over de aarde gegeven en het blijft aan zijn vrije wil overgelaten om zijn leven daarnaar in te richten. Zonder liefde kan geen mens zalig worden. Zodoende is het uiteindelijke doel van de goddelijke geboden het binnen kunnen gaan van de eeuwige gelukzaligheid.
God heeft Zijn geboden gegeven om de mensen het grote geluk te kunnen geven, dat eeuwig duurt, omdat zonder de liefde geen mens zalig kan worden. Vanuit zichzelf moet hij zo worden, zoals het binnengaan in het lichtrijk dat vereist. Maar hij is krachteloos en zijn onwetendheid zou ook geen aansporing zijn om zelf zijn ziel voor het geestelijke rijk te vormen. En daarom geeft God de mens Zijn geboden, opdat hij door het vervullen hiervan met deze kracht gevoed wordt en zijn onwetende toestand zich verandert tot een wetende.
Want zodra hij wetend geworden is, vormt hij zichzelf. Dat wil zeggen dat hij vanuit een innerlijke drijfveer zichzelf tot gelijkheid aan God vormt. Hij probeert zich aan de eeuwige Godheid aan te passen, wat weer alleen maar door een werkzaamheid in liefde kan geschieden. Dan heeft hij de goddelijke geboden niet meer nodig, want zodra zijn hart tot liefde in staat is, wordt hij gedrongen om de liefde te beoefenen, omdat de kracht uit God voortdurend op hem overstroomt en deze kracht tot een actief zijn in liefde aanspoort. Zodoende zijn de goddelijke geboden alleen maar een middel dat de onwetende mens tot het in ontvangst nemen van kracht aan zal sporen. Dat hij dus vooreerst van zijn wil getuigt en God hem overeenkomstig deze wil bedenken kan.
De goddelijke geboden zijn de wegwijzer naar de juiste weg, want alleen maar door een werkzaam zijn in liefde betreedt hij deze weg. Aanvankelijk nog onbewust van het geestelijke resultaat, dat echter zijn effect heeft in een steeds helderder kennis, wat een bewijs is voor de naar de mensen toestromende kracht uit God. God wil de mensen tot liefde opvoeden en Hij geeft hun Zijn geboden, die alleen maar liefde eisen.
Zolang de mens nog ver van God verwijderd is, ervaart hij deze geboden als een belasting, omdat hijzelf de liefde niet kent. Maar als hij ertoe aangespoord wordt om zich aan deze geboden te houden, dan voelt hij ook dat hij dichter bij God komt, zodat hij steeds vrijwilliger de geboden van God vervult, omdat hij door de kracht uit God gesterkt en zijn geest verlicht wordt. En daarom moet hij opgevoed worden tot een werkzaam zijn in liefde, opdat dat laatste dan in alle wilsvrijheid beoefend wordt en het de mens de toestand van kennis, van inzicht, oplevert, die hem in staat stelt het geestelijke rijk binnen te gaan.
Het werkzaam zijn in liefde is de enige weg naar God. En deze weg wordt de mensen getoond door de goddelijke geboden, waarvan de vervulling echter nooit afgedwongen wordt. Als de mens hier geen aandacht aan wil schenken, dan blijft zijn geestelijke toestand duister. Hij wordt op geen enkele manier gedwongen om de liefde te beoefenen. Alleen maar door lijden en strijd gedurende zijn leven op aarde wordt hij steeds weer gemaand om in liefde actief te zijn, omdat God hem niet aan het verderf over wil geven.
Daarom worden hem steeds weer de goddelijke geboden voorgehouden. Steeds weer wordt zijn denken beïnvloed en steeds weer wordt hij in situaties gebracht, waar hij werken van liefde uit kan voeren, opdat hij aan zichzelf kan beproeven, wat voor effect het werkzaam zijn in liefde heeft. Want van het naleven van de geboden hangt zijn geestelijke toestand af en hiervan het binnengaan in de eeuwige zaligheid.
Amen
Vertaald door Peter Schelling