Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2757

2757 De wil van God en de toelating door God

28 mei 1943: Boek 34/35/36

De wil van de mens strijdt tevergeefs tegen de goddelijke wil. Deze wil is wel vrij, dat wil zeggen: hij kan willen, maar hij kan niet altijd dat uitvoeren wat hij wil. En bijgevolg zal hij nooit op basis van zijn wil iets kunnen volbrengen als de wil van God daar tegenin gaat. Want naar Zijn wil met alles zich voegen. Zijn wil regeert hemel en aarde en Zijn wil zal nooit door menselijke wil overtroefd kunnen worden. Maar meestal stelt God Zijn wil niet tegenover de menselijke wil en Hij verhindert de mens ook niet zijn eigen wil ten uitvoer te brengen, dan kan hij zijn wil tot zijn recht laten komen, waarvoor hij zich dan echter ook moet verantwoorden.

Wat God zelf wil is uitermate wijs en daarom ook altijd goed. Wat de mens wil kan door God wel worden toegelaten, maar hoeft daarom niet altijd goed te zijn. En daarom moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de wil van God en de toelating door God, want wat God toelaat heeft altijd de wil van de mens als beweegreden en ontbeert zeer vaak de wijsheid en ook de liefde. Dus geeft God in zekere zin Zijn toestemming voor een onvolmaakt voornemen, voor een voornemen waarvan het motief noch in de liefde noch in de wijsheid te vinden is en dat daarom in strijd moet zijn met de goddelijke wil. God duldt het, maar Hij keurt het nooit goed. Maar zou Hij Zijn eigen wil daar tegenover stellen, dan zou de vrije wil van de mens nooit tot zijn recht komen, dus ook niet worden erkend. Anderzijds zou de mens nooit ter verantwoording kunnen worden geroepen, omdat hij dan nooit iets zou kunnen doen wat slecht is. En hij zou het goede onder een zekere dwang moeten verrichten, daar hij van God uit gehinderd zou worden het tegendeel te doen.

En daarom kan er op aarde de grootste chaos bestaan, maar de goddelijke wil zal daar niet tegen optreden zolang de menselijke wil deze chaos zelf voortbrengt, want met Zijn gedogen heeft God ten doel dat de mens zelf tot inzicht komt en hij zijn wil verandert. Dat hij zich onder de goddelijke wil schikt en uit zichzelf tot de goddelijke orde terugkeert, dat wil zeggen: dat hij hetzelfde wil als God en daarnaar handelt. Alleen wanneer de menselijke wil steeds slechter wordt, wanneer hij zich steeds verder van de goddelijke orde verwijdert, dan stelt God hier Zijn wil tegenover. Dan is de wil van de mens machteloos en kan niet tegen de wil van God in gaan. Dan kan hij niet uitvoeren wat hij wil en toch moet hij zich voor de verkeerde wil verantwoorden, omdat deze vrij is.

De kracht om dingen te verwezenlijken komt hem steeds toe van die kant naar welke zijn wil zich keert. God ondersteunt hem als zijn wil goed is, maar de tegenstander geeft hem zijn macht en kracht als de wil van de mens zich bereid verklaart voor hem te werken doordat hij gewillig is dingen te volbrengen die in strijd zijn met de goddelijke wil en de goddelijke orde. God zal echter Zijn wil dan ten uitvoer brengen wanneer de menselijke wil geheel faalt en dit een gevaar betekent voor de gehele mensheid. Dan komt de wil van God zichtbaar in actie en de wil van de mens is niet in staat zich tegen de goddelijke wil te verzetten, want alleen deze regeert in de hemel en op aarde.

Amen

Vertaald door Gerard F. Kotte