Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2755

2755 Nieuwe verlossingsperiode – Paradijselijke toestand – Nieuwe strijd

27 mei 1943: Boek 34/35/36

Een tijd van grote verwarring wordt nu afgelost door een tijd van de diepste vrede, want alles wat in vrije wil leeft, is voor God, dus een naar God toegekeerde wil en heeft daarom noch leed, noch ellende als opvoedingsmiddel nodig. Het staat in de liefde en is zodoende dicht bij God en de nabijheid van God betekent vrede en eendrachtigheid en al op aarde een gelukzaligheid.

En dit is het begin van een nieuwe verlossingsperiode, waarin de tegenstander van God nog geen invloed op de mensen heeft, omdat hij voor lange tijd gebonden is. Het is een paradijselijke toestand, omdat de mensen inzicht hebben, omdat het geloof en de liefde hun de kennis opgeleverd heeft en ze in het beseffen van de waarheid gelukkig zijn. Elke gebeurtenis op aarde is begrijpelijk voor hen. De dwaling is verbannen. Ze horen de stem van God in zich, die hen voortaan onderwijst en hun liefde voor God neemt toe en komt in onbaatzuchtige naastenliefde tot uitdrukking. En deze harmonieuze toestand duurt lange tijd.

Maar de scheppingen op aarde zijn weer dragers van het geestelijke, dat zich opwaarts moet ontwikkelen en zodoende moeten ze deze ook gelegenheid geven om te dienen. En ze zullen daarom net als de scheppingen op de oude aarde oplossen en zich veranderen om het geestelijke daarin vrij te geven, zodat het weer opnieuw een vorm aan kan nemen. Bijgevolg moeten ook de mensen van de nieuwe aarde bepaalde werkzaamheden verrichten om deze voortdurende ontwikkeling van het geestelijke te bevorderen.

Maar het geestelijke is nog heel onrijp en valt bij een bepaalde staat van rijpheid de mensen lastig. Dat wil zeggen dat het probeert het denken van de mensen naar zich toe te leiden en als dezen zich daardoor laten beïnvloeden, verwijderen ze zich van God. Dit zijn pas de komende generaties, van wie de zielen nog onrijpe substanties in zich bevatten en die daarom weer meer moeten strijden om tot geestelijke rijpheid te komen. De kennis van God raakt dienovereenkomstig vertroebeld. Ze staan weliswaar niet heel ver van God af, maar ze zijn niet meer in staat om Zijn stem te horen, omdat hun denken zich al verdeelt, omdat dit niet meer onverdeeld op God gericht is, maar ook door aardse zaken afgeleid wordt en dit heeft een verduistering van het geestelijke tot gevolg.

En dan heeft de tegenstander van God weer invloed op de zielen van de mensen en de strijd om het geestelijke begint opnieuw. Een nieuwe verlossingsperiode begint. Een hernieuwd worstelen van de lichtvolle wereld tegen de dreigende duisternis en overeenkomstig hiermee ook een moeilijker aards leven voor de mensen, die in het gevaar verkeren zich in de materie te verliezen. God spreekt weliswaar tot de mensen en maakt hun Zijn wil bekend, maar hoe meer ze de materie nastreven, des te minder horen ze de goddelijke stem en zodoende verwijderen ze zich van Hem.

Maar de goddelijke liefde trekt hen steeds weer tot Zich en steeds weer komt Hij hen nabij om hen de definitieve verlossing uit de vorm mogelijk te maken, die weliswaar niet zonder strijd bereikt wordt, om welke reden God Zijn tegenstander opnieuw de macht over de zielen van de mensen toekent, die Hij echter in dezelfde mate Zijn kracht ter beschikking stelt om deze te weerstaan.

Deze verlossingsperiode heeft een kortere tijdsduur, omdat het geestelijke zijn hernieuwde gang over de aarde onder bijzonder zware omstandigheden af moet leggen. Het zal dus veel zwaarder moet boeten voor zijn weerspannigheid dan op de oude aarde en sneller de beslissing nemen om dit verzet op te geven. Bijgevolg legt het elke volgende ontwikkelingsfase aanzienlijk sneller af en kan het zich overeenkomstig eerder weer als mens belichamen.

Maar ook dit leven als mens brengt hem pas dan de definitieve verlossing, wanneer hij getuigt van het opgeven van het verzet door een voortdurend werkzaam zijn in liefde, waartoe hij ook weer rijkelijk de gelegenheid krijgt. Want zolang de aarde de verblijfplaats en het scholingsstation van het geestelijke is, wordt dit geestelijke ook de mogelijkheid gegeven, deze als volmaakt lichtwezen te verlaten. Maar het is aan hemzelf of hij deze mogelijkheid gebruikt en hoe lang hij daarvoor nodig heeft, omdat het geestelijke als mens met de vrije wil uitgerust is en deze nu op de juiste of ook op de verkeerde manier door hem gebruikt kan worden. Want de nieuwe aarde zal dezelfde eisen aan de mensen stellen. Namelijk zich door de liefde voor God en de naasten te verlossen.

Amen

Vertaald door Peter Schelling