Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2754
2754 Omvorming van de aarde – Nieuwe aarde – De wet van de tijd
26 mei 1943: Boek 34/35/36
Op welke manier de omvorming van de aarde plaats zal vinden, kunnen de mensen van deze tijd niet begrijpen. En daarom lijkt het hen dan ook onmogelijk, dat mensen van deze aarde de nieuwe aarde zullen bewonen, zelfs wanneer voor hen het ontrukken van de gelovigen begrijpelijk is. Voor de mensen van deze aarde geldt alleen maar, wat de natuurwet als basis heeft. Maar bij de omvorming van het aardoppervlak is de goddelijke wil op zo’n manier werkzaam, dat die voor de mens onbegrijpelijk zou zijn, als hij dit mee zou maken. Dat wil zeggen als hij de gebeurtenis zou kunnen bekijken.
Het is in zekere zin een verandering, die niet aan tijd en ruimte gebonden is, want de wil, de kracht en macht van God zijn buiten de wet werkzaam. Het is wel een voortschrijdende ontwikkeling, die zich echter binnen een tijd voltrekt, die voor de mensen een snelheid zou betekenen, die onbegrijpelijk voor hen zou zijn. Want ruimte en tijd bestaan alleen nog maar voor het onvolmaakte wezenlijke en in het bijzonder voor het hoogst ontwikkeld, maar onvolmaakt wezen, voor de mens.
Maar als de mens er zelf niet meer is, wanneer de ontrukte mensen als enige levende mensen van de aarde weggenomen zijn, geldt ook de wet van de tijd niet meer. Zodoende kan God Zijn wil direct tot daad laten worden, als dit met Zijn wijsheid overeenstemt. Hij kan Zijn gedachten dus als schepping in de wereld plaatsen. Hij kan het zich tegen Hem verzettend geestelijke in de schepping binden, wat voor zijn verdere ontwikkeling nuttig is en Hij kan deze scheppingen op dit moment laten ontstaan, omdat enkel Zijn wil daar voldoende voor is. God Zelf is de wetgever in Zijn oneindige schepping en Zijn wetten zijn op Zijn niet te overtreffen wijsheid gebaseerd. Maar altijd is het doel van de wetmatigheid het rijp worden van het geestelijke, om welke reden dit geestelijke zich naar de goddelijke wetten moet schikken, zodra het rijp moet worden.
Als echter een verlossingsperiode met het laatste gericht haar einde genomen heeft, met de definitieve scheiding tussen degenen, die naar God streven en degenen, die zich tegen God verzetten, dan zullen de laatsten opnieuw gebonden worden in de vorm, terwijl de eersten de vorm kunnen verlaten en alleen maar door de wijsheid en de wil van God nog een tijd de uiterlijke vorm behouden voor de vestiging van een nieuw mensengeslacht.
Maar het opnieuw binden in de vorm heeft geen tijdsbestek nodig, omdat dit zich niet voor de ogen van de mensen afspeelt, die wel de verwoesting van de oude aarde meemaken, maar niet de omvorming hiervan. Hun is het tijdsbesef afgenomen, zodat ze er volledig over in het duister tasten, hoe lange tijd er voorbijgegaan is, tot ze weer naar de nieuwe aarde geleid werden. De herinnering aan de oude aarde is hun niet afgenomen en daarom herkennen ze de macht en kracht van God en Zijn liefde en prijzen en loven ze Hem en zijn ze Hem in diepe dankbaarheid toegenegen. Ze begrijpen het wonder van de nieuwe schepping door hun diepe geloof. Dat wil zeggen dat ze weten dat bij God geen ding onmogelijk is en ze nemen daarom alles met kinderlijke vanzelfsprekendheid op, omdat ze door de liefde ook de juiste verhouding van het kind tot de Vader hebben en Zijn besturen en werkzaam zijn erkennen.
Hun geloof is zo diep dat ze voor al het wonderlijke de verklaring hebben in de almacht, wijsheid en liefde van God en zodoende lijkt hen niets onmogelijk. Ze twijfelen niet, ze piekeren en denken niet na over hoe het omvormingswerk plaats gevonden heeft en hoeveel tijd God daar voor nodig had, maar ze beschouwen alles als de tot vorm geworden wil van God, omdat ze wetend geworden zijn door hun geloof en hun liefde en ze ook de nieuwe schepping beschouwen als dat, wat ze is. Als omhulsel van het geestelijke, dat nog niet ontwikkeld is en tot rijpheid moet komen. En voor wie hiervan weet, is niets meer wonderbaarlijk, want hij vindt in het doel van de schepping de verklaring voor elke gebeurtenis.
Amen
Vertaald door Peter Schelling