Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2753

2753 Geestelijke schatten – Gedachtengoed – Hiernamaals

25 mei 1943: Boek 34/35/36

Geestelijk gedachtengoed is een bezit van onvergankelijke waarde. Het is iets duurzaams, dat niet afneemt, maar alleen maar toenemen kan. Het is een schat, die elk mens opgraven kan en die nooit meer van hem afgenomen kan worden. En de mensen zouden naar niets anders moeten verlangen dan naar deze goederen en toch wordt het maar heel weinig nagestreefd. Wie het bezit, weet zijn waarde wel in te schatten, maar als hij zijn medemensen dezelfde goederen verschaffen wil, wordt hij ongelovig afgewezen en aan zijn geschenk wordt geen aandacht geschonken.

Geestelijke goederen laten zich niet willekeurig op de medemensen overdragen, als deze door die laatsten niet begeerd worden. Degene, die naar geestelijke goederen smacht, zal deze mogen ontvangen. Het wordt hem vaak op wonderbaarlijke wijze aangeboden en het zal hem een rijke schat opleveren. Het zal ook nooit minder worden en ofschoon de mens ervan afgeeft, zal zijn geestelijke rijkdom door het geven niet verminderen. Het wordt veeleer vermeerderd, omdat het aanbieden van geestelijke schatten een liefdeswerk is, dat onvermijdelijk weer liefde en genade tot gevolg heeft, wat hetzelfde betekent als een toename in het doen toekomen van geestelijk gedachtengoed.

En daarom moet de mens niets anders dan geestelijke rijkdom nastreven en het aardse alleen maar in zoverre vervullen, zoals het van hem geëist wordt, want aards bezit te vermeerderen is onverstandig, omdat deze elke waarde verliest bij het moment van de dood. Wat op aarde begerenswaardig is, zal steeds enkel het lichaam tot welbehagen dienen, maar geestelijk gedachtengoed raakt de ziel en kan daarom ook alleen maar de ziel voordeel opleveren en daarom moeten geestelijke schatten ook door de ziel opgenomen en als weldaad ervaren worden.

Geestelijke goederen zullen ook nooit een dood bezit zijn. Dat wil zeggen een bezit, dat ongebruikt blijft. Dat als een dood goed niemand tot zegen strekt, maar zijn bezit zal onophoudelijk actief zijn en met deze geestelijke goederen werkzaam zijn. Hij zal er voortdurend van afgeven en tegelijkertijd zijn bezit vergroten. Hij zal steeds nieuwe goederen kunnen ontvangen, zodat zijn bezit nooit opgebruikt raakt. En de wil van de mens is genoeg om deze geestelijke schatten op te graven en een rijkdom te verwerven, die van waarde is voor de eeuwigheid, die onvergankelijk is, omdat zijn oorsprong het geestelijke rijk is, dat altijd en eeuwig bestaat.

En de mensen zouden onmetelijk rijk kunnen zijn, als ze hun wil goed zouden gebruiken voor het in ontvangst nemen van geestelijk gedachtengoed, want dit weegt veelvuldig tegen al het aardse op. En de juiste waarde zal pas in de eeuwigheid beseft worden, waar alleen maar de geestelijke rijkdommen gelden en de armoede van degene, die alleen maar aardse goederen nastreefde, zal zo goed herkenbaar zijn.

De wil van de ziel moet weer bereid zijn om geestelijke goederen in ontvangst te nemen, omdat haar lot in het hiernamaals anders heel gebrekkig en treurig zal zijn. Maar als haar de wil ontbreekt, kunnen geestelijke goederen haar niet geschonken worden, terwijl in het aardse leven deze elk mens nabij gebracht worden en de wil van de mens maar hoeft te beslissen of hij het aanneemt.

Daarom is de mens er op aarde veel beter aan toe, omdat de genade van God hem steeds weer gelegenheid geeft om zich geestelijke schatten toe te eigenen, omdat hij voortdurend door de wezens van het licht beïnvloed wordt om zijn gedachten op geestelijke zaken te richten en dat hem ook door de medemensen geestelijk gedachtengoed overgedragen wordt, als hij zich hier niet totaal afwijzend tegenover opstelt. En ook de gebeurtenissen rondom hem kunnen hem ertoe aansporen om zijn gedachten in het geestelijke rijk te laten zweven. Altijd en overal wordt hem gelegenheid geboden om geestelijke schatten op te graven en zijn bezit te vergroten, als hij maar bereidwillig is.

In het hiernamaals daarentegen moet zijn wil verlangen, omdat hem anders niets aangeboden kan worden en deze wil moet zich eerst bewijzen door de bereidwilligheid om hulp te bieden, dus in liefde werkzaam te zijn. Hier is het eerst van afhankelijk, voordat zijn geestelijke armoede door geestelijke goederen opgeheven kan worden. En pas dan kan de ziel met haar rijkdom werkzaam zijn en geluk schenken, zoals het ook geluk ervaart. Ze kan onophoudelijk werkzaam zijn. Ze kan geestelijke goederen uitdelen en ontvangen en zalig zijn.

Amen

Vertaald door Peter Schelling