Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2746

2746 Kindschap van God – Haar werkzaamheid in het hiernamaals

19 mei 1943: Boek 34/35/36

De mens moet voorwaarts streven en niet op zijn niveau van ontwikkeling blijven staan. Het korte aardse leven werd hem gegeven voor zijn vervolmaking. Zijn ziel moet uitrijpen om vrij te komen van zijn laatste uiterlijke ketenen. De mens, die zich hier niet van bewust is, die zich daarom voor deze kennis afsluit, als het hem aangeboden wordt, gebruikt zijn aardse levenskracht niet voor het eigenlijke doel en hij leeft daarom het aardse leven tevergeefs. Hoewel hij gelegenheid heeft om ook in het hiernamaals uit te rijpen, zal hij de verzuimde tijd op aarde nooit meer in kunnen halen, want het geestelijke resultaat van een goed gebruikt aards leven is geheel anders, dan hij in het hiernamaals door een moeilijke weg omhoog bereiken kan.

Een met de wil van God overeenkomende levenswandel op aarde levert de ziel het kindschap van God op. Ze kan op aarde de hoogste volmaaktheid bereiken. Ze kan zich tot lichtwezen ontwikkelen, dat alle kostelijkheden van het eeuwige leven mag genieten. Een kind van God te worden is alleen maar voor die wezens mogelijk, die het aardse leven afgelegd hebben in de trouwste vervulling van de geboden van God, in het uitoefenen van onbaatzuchtige naastenliefde en een rechtvaardige wandel voor God uit liefde voor Hem. Het kindschap van God is het vooruitzicht op alle rechten van het kind en het kind van God heeft de juiste verhouding hersteld naar zoals het in het allereerste begin was. Het wezen zal uit eigen kracht kunnen scheppen en vormen. Het zal volmaakt zijn, zoals de Vader in de hemel volmaakt is.

Nooit zal een wezen deze graad van volmaaktheid bereiken, dat op aarde niet overeenkomstig de goddelijke wil geleefd heeft en zich zodoende opwaarts ontwikkeld heeft. Het kan wel zijn gebrekkige toestand in het hiernamaals opheffen. Het kan ook dan nog aan zichzelf werken en ontvanger van licht en kracht worden, dus ook een hoge graad van zaligheid bereiken, maar zijn werkzaamheid in het hiernamaals is een geheel andere, dan dat het van de ware kinderen van God is.

Deze ontvangen rechtstreeks de kracht van God en hun lichtintensiteit is onvoorstelbaar. Hun wil is gelijk aan de volbrachte daad, omdat ze met de hun toestromende kracht uit God tot alles in staat zijn, wat ze willen en zodoende kunnen ze net als God scheppen en vormgeven. Ze zijn zelf een deel van God. Uit Zijn kracht voortgekomen en weer naar de oorspronkelijke kracht teruggekeerd en door de versmelting met de oorspronkelijke kracht tot buitengewoon machtige engelenwezens geworden, omdat de wil en de gedachte bij hen gebleven zijn en ze dus van zichzelf bewuste lichtwezens zijn, die nu buitengewoon scheppend werkzaam zijn.

Elke gedachte wordt tot daad, omdat zij met de wil van God overeenstemmen en de kracht voor de uitvoering hun voortdurend ter beschikking staat. Het scheppen en vormgeven is de meest gelukkig makende activiteit, want hieraan ligt eveneens de diepe liefde ten grondslag. De liefde voor het niet verloste, die het lichtvolle geestelijke, de kinderen van God, weer nieuwe mogelijkheden geeft tot verlossing, doordat ze voortdurend nieuwe scheppingen laten ontstaan als omhulsel voor het nog niet verloste geestelijke, opdat dit zich opwaarts ontwikkelen kan.

De kinderen van God zijn van de diepste wijsheid doordrongen. Zin en doel van elk scheppingswerk zijn hen bekend en ze kennen ook de rijpheidsgraad van elk wezen dat zich in de schepping op aarde belichamen mag en zodoende kennen ze ook de doelmatigste middelen om uit te rijpen. En ze kunnen zelf elk middel gebruiken. Ze kunnen het willen en ook voleindigen. Ze kunnen elke gedachte in daden omzetten. Ze worden in het geheel niet gehinderd in hun scheppen, steeds van de kracht van God vervuld en hun wil is gelijk aan de wil van God.

En ze zijn ook in de volste harmonie met elkaar, omdat overal in het lichtrijk de liefde is, die de kracht uit God is. De liefde van God doorstraalt alle wezens en spoort hen tot steeds actievere werkzaamheid aan. Ze dringt de lichtwezens naar elkaar, tot vereniging, en omdat allen door de aan God gelijke wil bezield zijn om nieuwe scheppingen te laten ontstaan om het onvolmaakte te verlossen, stroomt de goddelijke kracht ononderbroken in het heelal. Ze brengen voortdurend nieuwe scheppingen voort, die als gedachten van God door de lichtwezens opgenomen en uitgevoerd worden en die daarom weer getuigen van de niet te overtreffen wijsheid van God en Zijn enorme liefde, omdat de scheppers en vormers hiervan in de nauwste verbinding staan met God, die voortdurend Diens wil op aarde en in het hiernamaals vervullen.

Amen

Vertaald door Peter Schelling