Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2742
2742 Religieuze organisaties – Vergankelijkheid
16 mei 1943: Boek 34/35/36
Het totale verval van de religieuze organisaties zal niet lang meer op zich laten wachten. De mensen staan al te ver van het geestelijke streven af, om de religieuze instellingen nog veel te kunnen laten betekenen en als door aardse maatregelen deze instellingen opgeheven moeten worden, dan verzetten ze zich er niet tegen, maar ze ondersteunen deze maatregelen nog door hun stilzwijgende dulden.
Alleen die mensen zullen zich verzetten, die, ofschoon ze zich gelovig noemen, nog niet geestelijk genoeg zijn om te beseffen dat de geestelijk opwaartse ontwikkeling niet van menselijke instellingen afhankelijk is. Want deze hangen nog te veel aan uiterlijkheden, aan traditionele handelingen, die voor hen het toonbeeld van hun religieuze ervaring is. Ze zijn nog niet diep genoeg binnengedrongen in geestelijke kennis, omdat ze anders onaangeroerd zouden blijven door deze maatregelen, die wel de uiterlijke schil kunnen verwoesten, maar nooit de innerlijke kern. Want zij kunnen veel eerder tot rijpheid komen zonder die schil, die toch al mensenwerk is en die de geestelijke opwaartse ontwikkeling niet al te veel bevordert.
De vele organisaties hebben geen grote successen kunnen boeken, want de mensheid is steeds minder geestelijk geworden, ondanks deze menselijke instellingen. Zodoende zal ook het uitschakelen van deze instellingen geen achteruitgang van de geestelijke ontwikkeling betekenen. Daarentegen zal het duidelijk worden, in hoeverre het individu zich er iets aan gelegen laat liggen om geestelijk te streven, want dit heeft pas echt waarde voor God. De mensen moeten vertrouwd worden gemaakt met het geloof in een liefdevolle, wijze en almachtige Schepper en Diens wilsuiting, de goddelijke geboden, moet hun bekendgemaakt worden.
En er zijn daarvoor werkelijk geen organisaties nodig, zoals ze van menselijke zijde ontstaan zijn. Deze leringen kunnen altijd en overal aan de mensen bekendgemaakt worden. Zodra een mens wetend is en hij zijn kennis in liefde aan de medemensen door wil geven. Maar als de mensen geheel ontoegankelijk voor deze leringen zijn, dan gaan ze aan de oren voorbij, zoals omgekeerd de bereidwillige mens ontvankelijk is en steeds zijn best zal doen om de leringen in acht te nemen.
Maar de mensheid in de huidige tijd keert zich van al het geestelijke af en niet in de laatste plaats daarom, omdat deze werelds-kerkelijke organisaties hen niet bevalt, omdat ze hierin alleen maar het mensenwerk zien en de kern, die deze instellingen zou moeten rechtvaardigen, voor hen gesloten blijft. Er wordt zoveel waarde gehecht aan het uiterlijke en bijgevolg probeert men dát te vernietigen wat de mensen mishaagt. Alles zal ten offer vallen aan de aardse maatregelen, ook het streven om de waarheid te verspreiden zal tegengegaan worden, hetgeen een teken is van de ontgeestelijkte mensheid, die niets meer wil laten gelden, wat buiten het aardse ligt.
En toch laat God al deze menselijke overtredingen toe, omdat ze er anderzijds geschikt voor zijn de mensen reden te geven om na te denken. En dit zal succesvol zijn bij degenen, die nog te slap en uiterlijk waren en nu gedwongen worden om stelling te nemen. De meelopers zijn nog zonder eigen mening, maar dán moeten ze voor zichzelf opkomen. Ze moeten buiten de organisatie hun verhouding tot God duidelijk maken. Ze moeten zelf de verbinding met God zoeken en hun levenswandel moet met de wil van God, die elk mens voldoende bekend is en waaraan ze alleen maar hoeven te voldoen, overeenkomen om zich met God verbonden te voelen en om bij Zijn kerk te behoren, die niet werelds, maar geestelijk begrepen moet worden.
De mensen zullen grote veranderingen te verwachten hebben, want de tijd van de beslissing komt steeds dichterbij en eerst moet alles zich vervullen, zoals God dat in woord en geschrift verkondigd heeft: “er zal geen steen op de andere blijven”. Er zal niets blijven bestaan, wat er is, omdat de mensen het lieten ontstaan en mensenwerk vergankelijk is.
Amen
Vertaald door Peter Schelling