Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2735
2735 De genade van de belichaming als mens
12 mei 1943: Boek 34/35/36
Maar heel weinig mensen zijn zich ervan bewust dat het aardse leven een genade voor hen is en dat ze deze genade moeten benutten, omdat ze anders geen acht slaan op de genade en ze zo veel zegeningen mislopen. Maar ze kunnen zich niet voor hun onwetendheid verontschuldigen en moeten zich daarom voor het veronachtzamen van de genade verantwoorden.
Elk mens wordt het ter overweging gegeven en elk mens kan zijn verstand gebruiken en nadenken over hetgeen voorgelegd is en hij zal bij een ernstige wil tot het goede en rechtvaardige ook de juiste gedachten hebben over het doel van zijn aardse leven. Maar zijn wil is vrij en hij kan het juiste geloof ook afwijzen, maar hij moet voor deze verkeerde wil wel verantwoording afleggen.
De genade van de belichaming op aarde is de afsluiting van een eindeloos lange ontwikkelingsperiode van de ziel. Het aardse leven is heel kort in vergelijking met deze lange ontwikkelingsperiode daaraan voorafgaand en toch is dit leven bepalend voor de gehele eeuwigheid. Het aardse leven is een genade, want God geeft de mensen daarin de gelegenheid om zich van elke keten te ontdoen en volledig vrij te worden en Hij geeft de zwakke mensen alle maar denkbare hulpmiddelen om dit doel te bereiken. En deze genade wordt niet beseft en daarom niet gewaardeerd als genade. Als een geschenk, dat de liefde van God Zijn schepselen toestuurt, om hen naar het licht te leiden uit de nacht van de geest.
De mensen gaan onverschillig aan de genaden voorbij. Ze leven wel hun leven, maar op een totaal verkeerde manier. Ze begeren dat, wat ze moeten overwinnen en ze veronachtzamen, wat ze na moeten streven en ze kunnen daarom niet rijp worden en ze blijven in hun ontwikkeling staan, als ze al niet achteruitgaan in hun ontwikkeling. En de voorafgaande eindeloos lange gang over de aarde was vergeefs en de genade van de belichaming als mens heeft hen geen vooruitgang opgeleverd, anders zouden zij God bovenmate dankbaar zijn, dat zij het aardse leven van Hem ontvangen hebben. Alleen degene, die het als genade erkent, zal deze genade benutten en een succes voor zijn ziel kunnen noteren.
Het leven in de eeuwigheid kan de mensen nog niet gepresenteerd worden, omdat anders de vrije wil in het gevaar zou komen om onvrij te worden. Hij moet zich ongedwongen opwaarts ontwikkelen en er staan hem talloze mogelijkheden, talloze hulpmiddelen ter beschikking, die allemaal een genade zijn om het aardse leven voor hem gemakkelijker te maken.
God schenkt in Zijn enorme liefde de mensen al deze genaden, maar de grootste genade is dat de zielen zich in mensen mogen belichamen. Dat hun alle gelegenheid geboden wordt, dat ze nu door deze belichaming de mogelijkheid hebben om zich bij God aan te sluiten. Dat ze voortdurend door de wezens van het licht, die hen kunnen helpen om het doel te bereiken, verzorgd worden.
Dus als ze geen acht slaan op deze grote genade, raken ze weer andere genaden kwijt en leven ze hun aardse leven tevergeefs. Dat wil zeggen dat ze niet naar het enige doel, de verenging met God, streven. Ze leven enkel het aardse leven, gebruiken daar de hun toestromende levenskracht voor en ze schenken totaal geen aandacht aan hun ziel. En zo misbruiken ze dus de genade van de belichaming en daarover moeten ze aan God verantwoording afleggen.
Amen
Vertaald door Peter Schelling