Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2575

2575 De wetten van tijd en ruimte in de eeuwigheid

5 december 1942: Boek 33

Het lichaam vergaat en met hem ook het aardse leed. Maar de ziel blijft bestaan en leidt haar leven in het hiernamaals overeenkomstig het aardse leven verder. Het lijden op aarde moet daarom niet te veel naar waarde geschat worden, omdat hier een einde aan komt. Daarentegen kan het lijden in het hiernamaals eeuwigheden duren, voordat de ziel tot het inzicht komt. Maar ze kan zich ook volledig tijdloos in de sferen van het licht bewegen, want de ziel kent het begrip “tijd” alleen maar in het stadium van onvolmaaktheid. In de toestand van volmaaktheid bevindt ze zich buiten tijd en ruimte.

Zodoende is het tijdsbegrip de graadmeter voor de rijpheid van de ziel. Zolang ze nog voelt dat ze van tijd en ruimte afhankelijk is, heeft ze haar doel nog niet bereikt. Ze is de lichtsferen, waarin elk begrip voor tijd en ruimte verdwijnt, nog niet binnengegaan. Voor de wereld is dit onbegrijpelijk, omdat ze nog geheel aan de wetten van tijd en ruimte onderworpen is. Maar in de eeuwigheid vallen deze laatste weg en het is een onvoorstelbaar zalige toestand om overal te kunnen verblijven en te weten van alles wat was, wat is en wat nog zal zijn. Deze vrijheid van geest is zijn zalige toestand, want de ziel kan zich bewegen, waar en wanneer ze wil, zonder ooit door tijd of ruimte beperkt te worden.

Daarentegen is de onrijpe ziel nog gebonden aan tijd en ruimte, al naar gelang de graad van haar onvolmaaktheid. Ze wordt weliswaar lichamelijk niet meer gehinderd en kan verblijven waar ze wil, maar ze wordt door haar aardse verlangen nog aan een bepaalde omgeving gebonden. Zodoende ketent ze zichzelf hierdoor, omdat ze de vrije toestand niet kent en haar daarom te weinig nastreeft.

Tijd en ruimte betekenen altijd een bepaalde begrenzing en daarom kunnen deze niet met de volmaaktheid overeenkomen. Maar zodra de ziel zich hiervan vrijgemaakt heeft, beseft ze de zaligheid hiervan en verlangt ze nooit meer naar de vorige toestand terug. Want tijd en ruimte overwonnen te hebben betekent ook ongehinderd werkzaam te kunnen zijn, waar en hoe de ziel dat verlangt.

Ze is niet meer gebonden aan tijd en ruimte. Ze heeft zich van de wetten vrijgemaakt, die God het onvolmaakt wezenlijke gaf. Bijgevolg is ze de Wetgever van eeuwigheid af nabijgekomen. Ze heeft zich met Diegene verbonden, Die Heer over tijd en ruimte is en bijgevolg verheft ze zich boven het gehele universum. Dat wil zeggen dat ze kan verblijven waar ze wil en dit altijd, omdat voor haar de wet van tijd en ruimte opgeheven is, zodra ze dicht bij God gekomen is. Want de toestand dat een wezen ongebonden is, dat het aan geen andere wet meer onderworpen is dan aan de wet van de liefde, die haar echter niet meer bedrukt, maar die ze alleen maar als gelukkig makend ervaart, is de toestand van vrijheid en volmaaktheid.

Amen

Vertaald door Peter Schelling