Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2570
2570 De toevoer van kracht en wilskracht
2 december 1942: Boek 33
De gang door het aardse leven vergt veel wilskracht, maar deze zal de mens nooit ontbreken, zolang hij zich met God in verbinding stelt, dat wil zeggen Hem om genade en kracht vraagt. Elk mens wordt de levenskracht toegestuurd, wat tegelijkertijd betekent dat hij nu dat uit kan voeren, waartoe zijn wil hem aanzet.
Geen mens wordt de levenskracht ontnomen, zolang hij nog op aarde verblijft. Deze is in staat om veel uit te voeren van wat de mens wil en dat laat hem vaak geneigd zijn om te geloven, dat hij alles bedwingen kan, dat alles, wat hij zich voorneemt, hem moet lukken. Maar hij moet God om deze toegenomen wilskracht vragen en hij zal nooit een vergeefs verzoek doen, want aan de vaardigheden van de mens zijn van God uit geen grenzen gesteld, zodra de mens zich met God verbindt en zodoende een beroep doet op de kracht van God.
Zonder de hulp van God is de kracht begrensd en deze zal alleen maar voldoende zijn een voor een gang over de aarde zonder bijzondere eisen. Een aards leven met God stemt met de goddelijke wil overeen, want nu kan de kracht van God zichtbaar worden bij een mens, die om deze kracht vraagt en dus God Zelf door hem werkzaam laat zijn. Deze mens kan zijn wil werkzaam laten worden en voor hem zal er niets onuitvoerbaar zijn.
Maar zodra de mens nog niet met God verbonden is, is zijn aardse leven veel zwaarder, want dan kan hij alleen maar die dingen tot stand brengen, die God in Zijn wijsheid hem tot stand laat brengen. Dat wil zeggen dat de de mens toestromende levenskracht door God wijs is toebedeeld, al naar gelang zijn rijpheidsgraad en zijn taak op aarde. Deze kan hij zelf door een innig gebed vergroten, maar hij moet er zich mee kunnen redden, als hij niet zijn toevlucht neemt tot het gebed, want hij moet er door een gebrek aan kracht toe komen om de verbinding met God tot stand te brengen en om kracht vragen.
Anderzijds kunnen ook ver van God verwijderde mensen over een buitengewone kracht beschikken. Ook dit is op Gods wijsheid gebaseerd, hoe Hij het lot van elk mens bepaalt, zoals deze het snelst tot de rijpheid van de ziel kan leiden. Buitengewone levenskracht geeft de mensen rijkelijk gelegenheid om in liefde werkzaam te zijn, waardoor de kracht nog toeneemt.
Maar zodra de mens buiten de liefde staat en toch over grote kracht beschikt, wordt deze kracht hem van de kant van de aan God vijandelijke macht toegestuurd, want hij wordt door slechte krachten, die hem daardoor proberen voor zich te winnen, ondersteund. En omdat de wil van deze mens zelf voor het boze kiest, hindert God de krachttoevoer van beneden niet.
Steeds is de wil van de mens er zelf bepalend voor, hoe hij met kracht bedacht wordt, want hij kan deze altijd door zijn gebed vergroten. God stuurt Zijn krachtstroom onophoudelijk naar de aarde, die nu door iedereen ontvangen kan worden, die zich hiervoor opent. Dat wil zeggen in contact treedt met de schenker van de kracht. Deze elk mens ter beschikking staande toevoer van kracht hoeft alleen maar gebruikt te worden om het aardse leven gemakkelijk en moeiteloos af te kunnen leggen, want hij zal nu uit kunnen voeren, waar zijn wil voor kiest, omdat de kracht uit God alles tot stand brengt.
Amen
Vertaald door Peter Schelling