Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2568

2568 Goddelijke ingreep

1 december 1942: Boek 33

In de chaos van de verwoesting, die door de menselijke wil een steeds grotere omvang aanneemt, grijpt de Heer Zelf in, als de dag daarvoor gekomen is. En deze ingreep zal tot stand brengen, dat een volkerenstrijd tot een einde komt, weliswaar tegen de wil van die mensen in, voor wie dit einde weinig succesvol lijkt.

De wereld is in dwaling verstrikt geraakt. Ze gelooft de aardse ontwikkeling zelf te kunnen bepalen en denkt niet aan de wil van de macht, die alles in de hemel en op aarde bestuurt. Ze denkt er niet aan, dat deze zich op een bepaald moment zal uiten. Dat wil zeggen dat ze op zal treden tegen de wil van de mensen, als deze geheel tegen de goddelijke wil in handelt. Zodra de machtigste wil niet meer erkend wordt en er geen acht meer op geslagen wordt, zal Hij Zichzelf uiten en dat op een manier, die een gevoelige uitwerking op de mensen zal hebben. Dat wil zeggen dat hun aardse leven in andere banen geleid zal worden en alle aardse plannen en hoop vernietigd zullen worden. De mensheid moet er weer op gewezen worden, dat ze machteloos is tegenover de Schepper van de hemel en de aarde. Dat alleen Zijn wil regeert en dat een liefdeloos optreden van de mensheid een rechtvaardige straf tot gevolg heeft.

De mensen schrikken voor niets terug en ze proberen elkaar wederzijds te vernietigen. Dit druist geheel tegen het doel van de mensen in, wat op aarde een leven in liefde leiden is. De goddelijke rechtvaardigheid grijpt nu in de menselijke wil in, doordat ze de mensheid met hetzelfde slaat, als wat haar wil tot daad liet worden. Doordat ze de natuurelementen de vrije loop laat en deze een vernietigingswerk van een veel grotere omvang verrichten om de mensen een hogere wil te laten zien.

Want de mensen hebben elk geloof in een hogere macht verloren. En omdat ze niet vrezen voor een macht boven zich, grijpen ze meedogenloos naar de meest liefdeloze middelen om zich hun vermeende recht te verschaffen. Ze misbruiken hun vrije wil, die hun gegeven werd om in liefde werkzaam te zijn. Tot bevrijding uit de banden van degene, die van elke liefde gespeend is. Maar ze dienen hem. Ze voeren zijn wil uit. Ze geven zich als het ware aan hem over als zijn plaatsvervangers op aarde. Ze behoren hem toe en hij overheerst hen helemaal en zodoende gebruikt hij hen om dat te verwoesten, wat God liet ontstaan. Om allerlei soorten scheppingen te vernietigen.

God gaf elk ding zijn doel, maar de tegenstander van God drijft de hem toebehorende mensen aan om deze scheppingen voortijdig te vernietigen, opdat deze hun doel nooit tot het einde toe kunnen vervullen. En de mensen voeren het vrijwillig uit. Ze overtreffen elkaar in liefdeloosheid en vrezen geen macht, die hen ter verantwoording zou kunnen roepen. De mensheid is geheel losgeraakt van haar geest. Ze is zo ver van God verwijderd dat enkel een gewelddadig ingrijpen haar denken anders kan leiden en zodoende veroorzaakt ze deze ingreep zelf.

God laat dit in Zijn goedheid en milddadigheid nog geen strafgericht zijn, want Hij heeft medelijden met de mensheid, die stevig gebonden is. Hij wil niet vernietigen, maar hulp bieden. En Zijn wijsheid kiest het enige middel, dat wel heel smartelijk is, maar toch succes op kan leveren. Hij laat Zichzelf in Zijn macht en kracht zien. Hij spreekt met onverzettelijke stem. Hij uit Zich zo gewelddadig, dat de mens tot nadenken gedwongen wordt, maar God dwingt de wil van de mens niet en daarom zal ook slechts een klein deel Hem in dit natuurgebeuren herkennen, omdat zij Hem herkennen willen. Maar van de anderen neemt de tegenstander van God bezit. Ze dienen hem en zijn voor eeuwige tijden verloren.

Amen

Vertaald door Peter Schelling