Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2567
2567 De instelling van de mens ten opzichte van God en de juiste verhouding
29 november 1942: Boek 33
Het blijft aan de mens zelf overgelaten, welke stelling hij ten opzichte van God inneemt. Hij is een deel van God, onscheidbaar van Hem, maar of hij deze verbondenheid met God als mens erkent, dat bepaalt hij zelf. Hij kan zich als volledig geïsoleerd in het heelal staand wanen, zonder verbinding met de kracht, die hem schiep, maar hij kan zich ook met deze kracht verbonden voelen en overeenkomstig deze houding zal zijn aardse leven zijn. Hij wordt op geen enkele manier gedwongen om God te belijden, in innig contact met Hem te treden en zich door Zijn liefdeskracht te laten doorstralen, maar het staat hem volledig vrij, welke verhouding met God hij tot stand wil brengen.
Hij kan ook in zoverre geheel van God onafhankelijk blijven, dat hij niet bewust een schenking van kracht nastreeft of erom vraagt. Hij kan zijn aardse leven afleggen in het geloof dat hij het op eigen kracht volgens zijn wil vorm kan geven. Hij zal dan God niet herkennen. Hij zal dan niet in Hem geloven als het meest liefdevolle, wijste en almachtigste wezen. Hij zal ook geen verbinding met Hem tot stand brengen, maar zich geheel vrij voelen en een zijn lot leidend wezen afwijzen.
Maar steeds zal zijn houding ten opzichte van God bepalend zijn voor zijn geestelijke ontwikkeling. Voor zijn leven in de eeuwigheid. Want zodra hij een afwijzende houding heeft ten opzichte van God, kan hij geen beroep doen op de krachtstroom, die hem in staat stelt, opwaarts te gaan. Hij zal wel leven, maar zijn geest zal niet tot leven gewekt worden, want de geestelijke kracht uit God kan zich niet verenigen met de geestvonk in de mens. Deze sluimert en de mens leeft zijn leven volledig nutteloos, want hij vervult zijn levensdoel, de opwaartse ontwikkeling van zijn ziel, niet.
Want God moet erkend worden en de verbinding met Hem moet tot stand worden gebracht, opdat de mens de kracht uit God gegeven kan worden, die absoluut noodzakelijk is, als de ziel rijp moet worden. Terwijl de mens, die in innig contact met God treedt en in het gebed bewust om Zijn kracht vraagt, zichzelf zodoende herkent als van een door Gods liefde en genade afhankelijk blijvend schepsel, deze kracht mateloos in ontvangst kan nemen, zolang het op aarde verblijft.
De juiste instelling ten opzichte van God heeft als gevolg het tot stand brengen van de juiste verhouding van het kind tot de Vader. Het kind zal steeds vragen en daarom onophoudelijk mogen ontvangen. De kracht uit God zal hem voortdurend toestromen en het zal het doel van het aardse leven bewust vervullen, namelijk de nadering tot God tot stand brengen. De afstand tot Hem verminderen en zijn ziel zo vormen, dat het als kind van God het geestelijke rijk binnen kan gaan, als zijn aardse leven beëindigd is. De juiste instelling ten opzichte van God levert de mens het juiste resultaat op: een eeuwig leven in licht en kracht en gelukzaligheid. Daarentegen vertrekt de ziel, die zich onafhankelijk waande van God en bijgevolg op aarde zonder kracht bleef, met lege handen.
Amen
Vertaald door Peter Schelling