Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2545

2545 Geestelijke geschenken zijn de poorten tot het geestelijke rijk

11 november 1942: Boek 33

Uit het geestelijke rijk kunnen alleen maar geestelijke geschenken aangeboden worden en zo is het begrijpelijk, dat deze geschenken geen aards voordeel opleveren, maar enkel de ziel van de mensen tot heil strekt. Maar geestelijke geschenken zijn toch waardevoller, want deze hebben eeuwigheidswaarde. Deze openen in zekere zin de poorten tot het geestelijke rijk voor die mens, die deze geschenken in ontvangst neemt en zijn aardse leven in overeenstemming hiermee inricht.

Want het geestelijke rijk is het ware vaderland van dat, wat om de menselijke belichaming gevraagd heeft met zijn uitrijpen als doel. En deze belichaming als mens is alleen maar een voorbijgaande toestand. Want het eigenlijke leven begint pas in het geestelijke rijk, waar geen aardse boeien de ziel meer bedrukken. Waar licht en vrijheid de duisternis en de onvrijheid van het aardse leven aflossen.

De bewoners van het geestelijke rijk kennen de onvrije toestand van de mensen op aarde en het is hun streven om de mensen naar de lichtvolle toestand, naar een verblijf in het geestelijke rijk, te helpen. Maar de ziel van de mens moet zich vergeestelijken. Dat wil zeggen contact zoeken met het geestelijke in zich. Dit kan ze niet op eigen kracht en daarom helpen de geestelijke wezens haar, doordat ze haar kracht geven in de vorm van geestelijke onderrichtingen. Dus haar geschenken van de geest aanbieden, die voedsel voor de ziel zijn, opdat de ziel daardoor rijp wordt en zich steeds meer bij het geestelijke buiten zich aansluit. En ze verwerft het recht op het geestelijke rijk, doordat ze alles probeert in acht te nemen, wat haar door de geestelijke geschenken aanbevolen wordt. Dat ze leeft, zoals het haar aangeraden wordt. Dat ze zich overeenkomstig deze geestelijke geschenken vormt.

De mens moet de aardse weg gaan. Er bestaat geen andere mogelijkheid om het doel te bereiken en er bestaat geen ander middel om op aarde uit te rijpen, dan de toevoer van het goddelijke woord, dat de mensen dus als geestelijk geschenk aangeboden wordt. Dit woord moet de ziel de rijpheid opleveren, want de geestelijke wezens dragen de kracht uit God, die ze onophoudelijk van Hem ontvangen en in hun liefde door willen geven, op de mensen over, omdat het een gelukkig makende activiteit voor hen betekent om de heerlijke geschenken uit te kunnen delen aan degenen, die deze nodig hebben.

En de mensen hebben al deze krachtoevoer uit God nodig en daarom wil God dit ook naar alle mensen toesturen. Daarom probeert Hij door een middelaar hun Zijn woord nabij te brengen. Hij draagt de wezens in het geestelijk rijk op om die mensen te onderwijzen, die zich aan God als middelaar aanbieden, opdat hierdoor dit goddelijke woord van Hem op aarde verspreid wordt. Dat dus kracht en licht naar al degenen, die naar kracht en licht verlangen, geleid wordt.

Deze mensen nemen nu geestelijke geschenken uit het geestelijke rijk in ontvangst en de aarde met haar goederen verliest aan betekenis voor hen. Ze ontvluchten het aardse rijk, zodra ze geestelijke geschenken in ontvangst nemen en zodoende worden ze zelf rijp en ze helpen ook de medemensen tot zielenrijpheid, doordat ze de geestelijke goederen ook aan hen geven, als ze daarnaar verlangen.

En het geestelijke rijk breidt zich steeds verder op de wereld uit, naarmate de mensen bereidwilliger zijn om de geestelijke onderrichtingen aan te horen en hun leven daarnaar te vormen. Maar in dezelfde mate, waarin ze in geestelijke rijkdom toenemen, moeten ze ook de wereld en haar goederen verachten, want de mens kan nooit allebei gegeven worden. Ze moeten kiezen voor het geestelijke rijk of de aardse wereld en ze zullen overeenkomstig hun beslissing bedacht worden.

Amen

Vertaald door Peter Schelling