Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2541
2541 De openbaring van God door de schepping
7 november 1942: Boek 33
De scheppingswonderen zouden het denken van de mens voortdurend aan moeten sporen en zijn denken naar God toe moeten leiden, want het is God Zelf, Die door de schepping tot hem spreekt, als hij Zijn stem wil horen. Waarheen het menselijke oog ook kijkt, is het werkzaam zijn van God te herkennen, want geen mens is in staat om vanuit zichzelf hetzelfde te scheppen, als wat de schepping hem voortdurend voor ogen houdt. En als de mens daarover nadenkt, luistert hij aandachtig naar de taal van God, want de resultaten van zijn denken zijn Zijn antwoorden.
God Zelf openbaart Zich door de schepping aan de mensen. Dat wil zeggen dat in alle scheppingswerken duidelijk het werkzaam zijn van een macht te herkennen is, die buitengewoon wijs is en daarom als het hoogst volmaakte wezen in te denken is. Zodra de schepping dus het geloof in de eeuwige Godheid opwekt of bevestigt, heeft de mens gehoor geschonken aan de openbaringen van God. Hij heeft de vaste overtuiging verkregen, dat de Schepper een wezen van de hoogste volmaaktheid is, Die in het nauwste verband met de schepping staat. En deze overtuiging is geloof.
De schepping is er dus geschikt voor om de mensen diep gelovig te maken, maar hij moet deze tot zich laten spreken. Hij moet elk scheppingswerk bekijken met de wil om zich positief op te stellen tegenover Degene, Die zoiets liet ontstaan. En deze wil helpt hem tot inzicht. Er zal hem opheldering gegeven worden en zodoende uit de eeuwige Godheid Zichzelf en geeft hem kennis van Zijn heersen en werkzaam zijn.
Dit kan in gedachten geschieden, zodra de mens zijn gedachten vragend op de schepping richt. Hij kan echter ook onderwezen worden door een medemens, aan wie God Zich in de rechtstreekse vorm openbaart met het verspreiden van de waarheid onder de medemensen als doel. Maar door de schepping spreekt God tot alle mensen en alle mensen kunnen deze taal verstaan, als ze serieus van zins zijn naar de Schepper te luisteren.
Zodoende is het van de wil van de mens afhankelijk of hij God herkent of niet. Die mogelijkheid wordt hem voortdurend gegeven, want Gods liefde, wijsheid en almacht openbaren zich in alle dingen. Maar er hoeft geen aandacht geschonken te worden aan Zijn openbaringen, omdat God de wil van de mens niet dwingt om zich ernstig met iets bezig te houden, waar hij niet naar verlangt. Maar dan zal ook zijn kennis van God gebrekkig zijn. Hij zal niet met overtuiging positief tegenover God kunnen staan, omdat hij hier nooit stelling over genomen heeft.
Het is dus nooit een benadelen van de kant van God, als het een mens zwaar valt om te geloven, maar steeds alleen maar de schuld van de mens, want hij veronachtzaamt de hem ter beschikking staande gelegenheden om gelovig te kunnen worden, omdat hij God niet wil zien, waar Hij Zich openbaart: in de schepping, die een duidelijke getuigenis is van een scheppende macht, die vol liefde en wijsheid is.
Amen
Vertaald door Peter Schelling