Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2536

2536 De verantwoordelijkheid van de onderwijzers – Liefde voor de waarheid

3 november 1942: Boek 33

De mens, die een onderrichtend ambt uitoefent en de aan hem toevertrouwde zielen op een dwaalspoor brengt, laadt een enorme verantwoordelijkheid op zich. Zodra hij onderrichtend werkzaam is, moet hij ook volledig overtuigd zijn van dat, wat hij onderwijst, omdat hij anders zijn kennis niet op anderen over mag dragen. Dit geldt in het bijzonder voor die onderrichtingen, die op geestelijke zaken betrekking hebben, die de ziel dus moeten vormen.

Als hij overtuigd is van de waarheid van deze leringen, dan heeft hij ook het recht om voor zijn overtuigingen op te komen. Maar om overtuigd te kunnen zijn, moet hij de leringen zelf overdacht en er stelling over genomen hebben en wel met de volle wil om in de waarheid te staan. Dan zal hij ook de verantwoordelijkheid voor zijn onderrichtende taak kunnen nemen voor God, want hij handelt nu naar beste weten, als hij deze taak uitvoert.

Maar zodra hij nu een kennis doorgeeft, die hij zelf precies zo ontvangen heeft, zonder volledig van de waarheid hiervan overtuigt te zijn, maakt hij zich schuldig aan het misvormde denken van de aan hem toevertrouwde mensen, want hij dringt deze mensen in zekere zin een kennis op, die ver van de waarheid verwijderd kan zijn. Want hij heeft de opdracht om over hun kennis te waken. Hij moet hen beschermen tegen dwaling of tegen leringen, die zo onduidelijk zijn, dat deze het denken alleen maar verwarren, want dit is zijn taak, die hij gewetensvol uit moet oefenen.

Maar hij kan gerust zijn taak uitoefenen, als hij zijn toevlucht neemt tot God. Als hij Hem vraagt om inzicht en om Zijn hulp, dus de zielen van de aan hem toevertrouwde mensen God aanbeveelt, zodat Hij hen beschermt tegen dwaling of verkeerd denken. Hij moet zich van zijn verantwoordelijkheid bewust zijn en alleen maar voor de zuivere waarheid op willen komen. Dan zal God ook zijn wil sterker en zijn vermogen tot inzicht groter maken en hij zal alleen maar dat doorgeven, waar hij geheel en al positief tegenover kan staan, wat dus door hem als waarheid gezien wordt.

En daarom is het voor een onderwijzende kracht van bijzonder belang, dat hij zich innig met God verbindt en Hem om Zijn hulp en zegen vraagt, omdat niet alleen maar zijn eigen zielenheil, maar ook dat van de aan hem toevertrouwde leerlingen in gevaar is, als de goddelijke genade zijn werkzaamheid niet tot een gezegende maakt. Als God hem niet de volledige kennis geeft van of en wanneer hij zich in de waarheid bevindt. Want eens moet hij verantwoording afleggen en zal er rekenschap van hem geëist worden over de zielen, die hij de waarheid had moeten verkondigen.

Amen

Vertaald door Peter Schelling