Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2530

2530 De diepte van de goddelijke wijsheid – Stralen van het eeuwige licht

31 oktober 1942: Boek 33

Wie in staat is in de diepste diepten van de goddelijke wijsheid binnen te dringen, die hoeft niet meer te vrezen dat zijn ziel verloren gaat, want hij wordt door de liefde van God gegrepen, die hem onherroepelijk tot zich trekt. En als de mens nu beproevingen op aarde ten deel valt, keert zijn ziel zich alleen nog maar meer naar binnen en gaat het de verbinding met de geest aan, die onstuitbaar naar de hoogte dringt. En steeds meer kennis wordt zijn deel, want de geest uit God kent geen grenzen en de mens put onophoudelijk uit de bron, die de goddelijke wijsheid hem biedt.

Het is Gods grote liefde, dat Hij de mensen nog tijdens het aardse leven deel laat hebben aan Zijn licht. Dat Hij de stralen van Zijn eeuwige licht in het hart van de mens laat vallen, opdat het licht in hem wordt. En licht is kennis. Licht is goddelijke wijsheid, die nooit overtroffen kan worden en toch eeuwig hetzelfde blijft. De waarheid uit God.

In wiens hart het licht eenmaal zijn stralen geworpen heeft, die zal geen duisternis meer kennen, want zijn kennis kan hem nooit meer ontnomen worden. Het is als de aanbrekende dag, die steeds alleen maar in helderheid toeneemt. De muren, die het licht de toegang hebben belet, zijn afgebroken en nu vloeit de stroom van goddelijke liefde onstuitbaar in die mens over, die zodoende in wijsheid en dus ook in kracht toeneemt. Het lichaam voelt niet altijd de kracht, maar de kracht drijft de ziel onophoudelijk omhoog en elke dag brengt haar vooruitgang. Ze streeft het eeuwige licht tegemoet. Ze rijpt onder de inwerking van dit licht en ze hoeft geen teruggang meer te vrezen, want haar verlangen betreft eeuwig alleen maar de vereniging met het oerlicht: met God.

En waar kennis is, daar zal ook liefde zijn, want de wijsheid is zonder de liefde niet in te denken. Kennis spoort de mens tot een werkzaam zijn in liefde aan en dat vergroot weer zijn kennis. En God als de eeuwige liefde trekt de ziel, die in de liefde leeft, tot Zich en bekroont haar met Zijn genadegeschenk. Hij laat haar nog tijdens haar leven op aarde kijken in het geestelijke rijk. En Hij doet haar kennis toenemen van dat, wat buiten de aarde is. Hij laat haar deelhebben aan de eeuwige heerlijkheid. Hij laat haar een blik werpen in het rijk van de vrede.

En de ziel behoudt haar kennis, zolang ze nog op aarde verblijft en ze gebruikt het in dienst van de medemensen en probeert ook op hen de kennis over te dragen. Pas dan, als de mens wetend is, bevindt hij zich in het rijk van het licht. En het is Gods wil, dat het licht wordt in de mensheid. Dat ze streeft naar licht in het hart. Dat ze een verlangen heeft naar het licht. Naar goddelijke wijsheid.

Amen

Vertaald door Peter Schelling