Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2518
2518 Liefde – Waarheid – Wijsheid – Leraar
18 oktober 1942: Boek 33
In een wereld van onvrede moeten de mensen noodgedwongen in een verward denken geraken. Want de oorzaak van de onvrede is liefdeloosheid en waar het aan liefde ontbreekt, daar is de mens ook ver van de waarheid verwijderd. Dit verkeerde denken kan de ziel nooit voordeel opleveren. De ziel kan niet rijp worden, zolang ze niet juist denkt, dat wil zeggen zich niet in de waarheid bevindt. En daarom moet eerst de liefde beoefend worden. Pas dan zal de mens ook juist denken en pas dan kan hij opheldering over vraagstukken geven, zonder zich te vergissen.
Zodra er nu geschilpunten op geestelijk gebied aan de dag komen, mogen de mensen alleen maar hun mening uiten, als ze hun best doen een leven in liefde te leiden en aan de mening van een liefdeloos mens hoeft geen aandacht geschonken te worden. En dit geldt ook voor alle onderrichtende mensen. Zodra ze in de liefde staan, verspreiden ze de waarheid, zelfs vaak in zoverre ongewild, dat de mensen die hen horen het zo zullen begrijpen, dat het met de waarheid overeenkomt, ook wanneer de onderwijzende mens verkeerd onderwezen werd.
Een in de liefde staand mens herkent ook de vergissing als deze hem aangeboden wordt, vooropgesteld dat in hem het verlangen naar de waarheid sterk is en hij door het verspreiden van de waarheid God wil dienen. Degene, van wie de geest door liefdadigheid vrijgekomen is, die is er ook toe geroepen om de medemensen te onderwijzen.
Maar in de liefdeloze wereld is de geest nog niet vrij. De liefdeloosheid houdt hem geketend en daarom staat de mens, wiens geest nog gebonden is, ver van de waarheid af en zal zodoende ook nooit waarheid aan de medemensen door kunnen geven, maar wat hij overdraagt, is met dwaling doorspekt, als het al niet volledig dwaling is. Hieraan is te zien, dat maar weinig mensen zich in de waarheid bevinden, omdat ook maar weinig mensen werkzaam zijn in liefde.
Het is zo’n bitter besef, dat deze weinigen een zware strijd moeten voeren, als ze de mensen de waarheid binnen willen leiden, omdat ze hun eerst de liefde moeten prediken. Want alleen dan kan de mens de waarheid herkennen, wanneer zijn hart tot liefde in staat geworden is. En de liefdeloze mensheid tot liefde te veranderen is waarlijk een taak, die nauwelijks uitvoerbaar is, wanneer God Zich niet zelf over de mensheid ontfermt. Hoe liefdelozer de mensen zijn, des te moeilijker zal de waarheid terrein winnen en steeds zal ze bestreden worden door degenen, die in de waarheid geloven te staan, maar zelf de liefde te weinig beoefenen.
Onderzoek de onderwijzers, in hoeverre ze in de liefde staan en onderzoek of deze onderwijzers enkel aangeleerde wijsheden doorgeven. De waarheid moet eerst gevoeld worden. Ze kan niet schools geleerd worden. En hetgeen overgedragen is, wordt pas wijsheid, zodra het tegelijkertijd door het hart en het verstand opgenomen wordt. En wijs is de mens pas, wanneer de kennis als een licht in hem schijnt en hem gelukkig maakt.
De onderwijzer moet in de liefde staan en degene, die onderwezen wordt, moet eveneens met een hart, dat tot liefde in staat is, de wijsheid ontvangen. Pas dan zal van een juiste wijsheid gesproken kunnen worden. En het ontbreekt de mensheid aan deze liefde en zodoende ontbreekt het haar ook aan de wijsheid: de waarheid uit God. Maar ze gelooft wetend te zijn en ze verwerpt alles, wat in tegenspraak met haar kennis is. Want totdat de mensheid zich tot liefde veranderd heeft, neemt ze genoegen met overgenomen leringen, die ze voor de waarheid houdt, omdat het haar aan elk vermogen tot inzicht ontbreekt.
Amen
Vertaald door Peter Schelling