Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2506
2506 Gods liefde en barmhartigheid komen de mens tegemoet
11 oktober 1942: Boek 33
En het is Gods grote barmhartigheid dat Hij de mensen door Zijn genade tot Zich trekt, dat Hij hen Zijn hulp aanbiedt, omdat ze zonder deze hulp falen, omdat ze de weg naar het vaderhuis niet vinden, als God hun niet tegemoetkomt. De Vader wil Zijn kind naar huis halen, maar het kind herkent de Vader niet tot Deze de hand uitstrekt en het naar Zich toe trekt.
En deze barmhartigheid is het uitvloeisel van Zijn liefde. Wat uit Hem voortgekomen is, probeert Hij weer naar Zich toe te leiden, want het is een deel van Zichzelf. Het moet zich uit vrije wil naar Hem toekeren, maar omdat het zijn oorsprong niet meer herkent, is het te zwak en daarom heeft het Zijn liefde en genade en Zijn enorme barmhartigheid nodig.
En ook het komende grote leed is een werk van Gods barmhartigheid. Het is een genade, die de mensen moet helpen bij de terugkeer naar God. Maar de mensen zullen het niet als genade herkennen en daarom zal ook dit zonder uitwerking blijven. Het leed zal niet in staat zijn om de mensen te buigen, want ze zijn ver van God verwijderd en ze kennen Zijn grote liefde en barmhartigheid niet. Zij zijn Zijn schepselen en erkennen hun Schepper niet meer. Zij zijn Zijn kinderen en verlangen niet naar het vaderhuis terug, omdat ze er in geestelijke blindheid op los leven en het licht, dat God hun uit grote barmhartigheid op hun levensweg stuurt, niet willen accepteren.
Amen
Vertaald door Peter Schelling