Bron: https://www.bertha-dudde.org/nl/proclamation/2505
2505 “Ik sta voor de deur en klop aan”
11 oktober 1942: Boek 33
En al zou de mens ook met overredingskracht spreken om het woord van God te verspreiden, hij zal op weerstand stuiten en geen geloof vinden. Maar u, die zich aan deze taak wijdt, treur hier niet over. Bedenk dat u voor Mij strijdt en zodoende ook wonden voor Mij oploopt. Bedenk verder, dat ook Ik op aarde weinig instemming gevonden heb. Dat ook Mijn woord de mensheid niet kon overtuigen en zodoende zal Mijn woord voortdurend een twistappel zijn en vanwege Mijn woord zullen de mensen vijanden worden.
Ik wil vrede brengen onder de mensheid, maar ze accepteert de vrede niet. Ik wil haar een begrijpelijke kennis aanbieden, maar ze schenkt Mij geen gehoor en ze behandelt Mijn vertegenwoordigers als vijanden. En daarom kan ze ook geen deelhebben aan het geschenk, dat Ik haar van boven aanbied, ofschoon ze deze bitterhard nodig heeft.
Ik ben het woord en Ik daal af naar de aarde. Ik wil Mij aan de mensen aanbieden, maar ze accepteren Mij niet. Ik sta voor de deur en klop aan, maar ze doen voor Mij niet open. En in hun harten is het nacht. Ze zien het licht niet, dat op hen zou willen schijnen. Ze sluiten zich af voor de lichtstraal, die binnen zou willen dringen en zodoende blijven ze in de duisternis. En er zijn er velen, die Mijn liefde niet meer herkennen en ook Mijn dienaren, die hun het geschenk van hun Heer willen brengen, de deur wijzen. Welk een onnoemelijke nood heerst er onder de mensheid, die in haar geestelijke blindheid ook nog het licht schuwt? En wat een moeite en geduld zijn er nodig om deze blinden de ogen te openen?
En waar Mijn liefde niets tot stand brengt, daar moet Mijn macht ingrijpen. De mensen horen de woorden van de liefde niet, maar de stem van Mijn macht moeten ze horen, want ze kunnen deze stem niet ontvluchten. Ik ben het woord en Ik wil dat de mensen naar Mijn woord luisteren. Ik wil Mij aan hen openbaren en als ze dus geen acht slaan op de openbaringen, die Ik hun door de mond van mensen toe laat komen, dan moeten ze Mij Zelf horen en Mijn stem zal machtig klinken. Ik zal spreken door de krachten van de natuur en Ik zal de aandacht voor Mij afdwingen, omdat niemand zijn oor voor dit woord af kan sluiten.
Jullie mensen geloven niet, dat Ik Mij openbaar. Jullie geloven niet, dat Ik Heer ben over alle machten in de hemel en op aarde. Jullie geloven alleen maar, wat jullie aards bewezen kan worden en wat jullie daarvan willen geloven. En omdat jullie zelf ver van God af staan, ontkennen jullie dat God dichter bij iemand van jullie kan zijn en Zich aan hem bekendmaakt. Maar jullie vergeten, dat Ik jullie altijd het bewijs leveren kan, dat Ik het ben, Die elke natuurwet bepaalt en Wiens kracht waarlijk zo groot is, dat Hem alles mogelijk is.
En zo moet ik Mezelf aan jullie te kennen geven in dit vernietigingswerk, want niets gebeurt toevallig, maar gebeurt door Mij. Geen mens is in staat om deze wil van Mij te hinderen en geen mens is in staat een gebeurtenis tegen te houden, die sinds eeuwigheid bepaald is, omdat Ik van eeuwigheid af weet van de verkeerde wil van de mensen. Weet van hun misvormde denken en hun ongehoorde afwijzing van Mijn woord. En ik weet sinds eeuwigheid van de geestelijk lage stand van de mensen en wendde eerst alle middelen aan om deze toestand te verhelpen, maar als elk middel faalt, kom Ik Zelf in het woeden van de elementen en spreek tot de mensen en wie geen aandacht aan deze stem schenkt, die is voor eeuwige tijden verloren.
Amen
Vertaald door Peter Schelling